ITEM METADATA RECORD
Title: Rood, groen, corpus! Een taalgebruiksgebaseerde analyse van woordvolgordevariatie in tweeledige werkwoordelijke eindgroepen
Authors: De Sutter, Gert
Issue Date: 8-Jun-2005
Publisher: S. n., Leuven, 2005
Abstract: In dit proefschrift is een van de meest intrigerende types van syntactis che variatie bestudeerd die het Nederlands rijk is: de werkwoordsvariati e in de tweeledige werkwoordelijke eindgroep met een deelwoord en het hu lpwerkwoord zijn, hebben of worden: (a) […] dat moordende chauffeurs van de weg gehaald worden (g roene volgorde) (b) […] dat moordende chauffeurs van de weg worden gehaald (rode vo lgorde) In het proefschrift wordt een antwoord gezocht op de vraag welke mechani smen er in het hedendaagse Nederlands voor zorgen dat taalgebruikers nu eens de groene [PART+AUX] en dan weer de rode [AUX+PART] volgo rde kiezen en waarom überhaupt twee volgordealternatieven beschikba ar zijn. Aan de hand van reëel geattesteerd taalmateriaal uit twee versc hillende corpora is daartoe het effect van een set van taalinterne en ta alexterne factoren op de keuze voor een van de woordvolgordes empirisch en kwantitatief bestudeerd. Hoofdstuk 1 is gewijd aan een overzicht van de algemene en wetenschappel ijke literatuur van de voorbije decennia. Daaruit blijkt onder meer dat tal van wetenschappers sinds de jaren 1950 vanuit verschillende perspect ieven getracht hebben om vat te krijgen op de woordvolgordevariatie (dia chroon vs. synchroon, taalnormen vs. taalgebruik, formele grammaticamode llen vs. taalgebruiksgebaseerde modellen). De vaststelling dat het deelw oord en het hulpwerkwoord in de eindgroep van plaats kunnen wisselen, he eft ook geleid tot verschillende aanbevelingen in diverse grammatica’s e n taaladviesboeken, waarbij sporadisch een voorkeur voor een van de synt actische varianten uitgesproken wordt, maar geen van de varianten afgeke urd wordt. In hoofdstuk 2, dat het inleidende gedeelte van het proefschr ift afsluit, worden de methodologische grondslagen van het onderzoek voo rgesteld, met name de gebruikte corpora, de selectievoorwaarden waaraan de corpusgegevens moeten voldoen en de statistische verwerking van de ge gevens. Vanaf hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 6 komt het eigenlijke empirische onderzoek aan bod. Om de studie georganiseerd te laten verlopen, zijn de verschillende onderzochte factoren, gebaseerd op de kennis uit vroeger onderzoek, ingedeeld in vier dimensies: een contextuele dimensie, een pr osodische dimensie, een semantische dimensie en een psycholinguïstische dimensie. Langs de contextuele dimensie (hoofdstuk 3) is onderzocht of de regio en het taalregister een invloed hebben op de woordvolgordekeuze. De result aten van dat onderzoek geven te kennen dat Vlamingen vaker de groene vol gorde [PART+AUX] gebruiken dan Nederlanders en dat binnen Vlaandere n Vlaams-Brabanders en Antwerpenaren het vaakst de rode volgorde&nb sp;[AUX+PART] en Oost-Vlamingen het vaakst de groene volgorde [PART +AUX] bezigen. Een verklaring voor die vaststellingen wordt gezocht in h et specifieke standaardiseringstraject van Vlaanderen en in de linguïsti sche centrumfunctie van Vlaams-Brabant en Antwerpen. De keuze voor de wo ordvolgorde hangt verder ook af van de modus van het taalgebruik, de mat e van interactie en de mate van redactionele controle: in gesproken taal gebruik wordt vaker de groene volgorde [PART+AUX] gebruikt dan in g eschreven taalgebruik, in communicatiesituaties met een hoge mate van in teractie (bv. dialogen) wordt vaker de groene volgorde [PART+AUX] g ebruikt dan in situaties met een beperktere interactie (bv. monologen) e n in communicatiesituaties met een hoge mate van redactionele controle ( bv. krantenmateriaal) wordt vaker de rode volgorde [AUX+PART] gebru ikt dan in situaties met een beperktere vorm van redactionele controle ( bv. chatmateriaal). Die resultaten laten zien dat taalgebruikers vaker v oor de groene volgorde [PART+AUX] kiezen op ogenblikken dat er hevi ge temporele restricties zijn op de fonetische, prosodische en/of gramma ticale encodering van de taaluiting. Langs de prosodische dimensie (hoofdstuk 4) is nagegaan of de keuze tuss en de groene [PART+AUX] en de rode volgorde [AUX+PART] ook afh ankelijk is van de accentdistributie voor, in en na de werkwoordelijke e indgroep. Meer bepaald wordt onderzocht of de keuze voor een van de woor dvolgordes beïnvloed wordt door het vermijden van een accentenbotsing, h et vermijden van een te lang interval met onbeklemtoonde lettergrepen en het streven naar het platte-hoedpatroon. Alle onderzochte (indirecte en directe) factoren bevestigen dat een prosodisch principe werkzaam is bi j de woordvolgordebepaling (morfologie van het deelwoord, definietheid v an een voorafgaande substantiefgroep, informationaliteit van het laatste preverbale woord, aanwezigheid van een vaste verbinding, lengte van het middenstuk, aanwezigheid van een laatste zinsplaats, grammaticale statu s van de laatste zinsplaats en afstand tussen twee beklemtoonde syllabes ). Langs de semantische dimensie (hoofdstuk 5) is de volgordevariatie in ve rband gebracht met het onderscheid tussen adjectivische en (verschillend e types) werkwoordelijke deelwoorden. Uit de resultaten blijkt enerzijds dat adjectivische(re) deelwoorden vaker in de groene volgorde [PAR T+AUX] voorkomen dan werkwoordelijke(re) deelwoorden, maar dat het ander zijds niet zo is dat, zoals traditioneel aangenomen wordt, zuiver adject ivische deelwoorden nooit in de rode volgorde [AUX+PART] kunnen voo rkomen. Verder kan ook vastgesteld worden dat eindgroepen met het hulpwe rkwoord zijn vaker in de groene volgorde [PART+AUX] voorkomen dan e indgroepen met respectievelijk de hulpwerkwoorden worden en hebben en da t passieve constructies vaker in de groene volgorde [PART+AUX] voor komen dan actieve constructies. Langs de psycholinguïstische dimensie is tot slot de rol van syntactisch e priming en de frequentie van het deelwoord onder de loep genomen (hoof dstuk 6). De resultaten laten zien dat de volgorde van de werkwoorden in een voorafgaande werkwoordelijke eindgroep de volgorde van de volgende eindgroep bepaalt: indien een eindgroep in de rode volgorde [AUX+PA RT] voorafgaat, dan wordt die volgorde overgenomen in de volgende eindgr oep; indien een eindgroep in de groene volgorde [PART+AUX] vo orafgaat, dan wordt die volgorde overgenomen in de volgende eindgroep. V erder blijkt ook dat deelwoorden met een hoge frequentie vaker in de rod e volgorde [AUX+PART] voorkomen dan deelwoorden die minder frequent zijn. De analyses in hoofdstukken 3 t.e.m. 6 zijn voornamelijk bedoeld om een antwoord te bieden op de vraag of een bepaalde factor een invloed heeft op de keuze voor een van de woordvolgordes en, zo ja, hoe sterk die invl oed dan wel is. Een globale statistische analyse, waarbij het effect van de verschillende statistisch significante factoren uit de hoofdstukken 3 tot en met 6 tegenover elkaar afgewogen wordt en waarbij nagegaan word t in welke mate die set van factoren in staat is om de totaal geobservee rde variatie te verklaren en te voorspellen, komt in hoofdstuk 7 aan bod . Daarvoor zijn twee statistische technieken aangewend: de classificatie boomtechniek en de logistische regressie. Uit de resultaten van de class ificatieboomanalyse blijkt in eerste instantie dat bijna 80% van de geob serveerde variatie voorspeld kan worden aan de hand van 5 factoren (op e en totaal van 13). De logistische-regressieanalyse laat in tweede instan tie zien dat alle factoren die in dit proefschrift bestudeerd zijn, beha lve de zuiver prosodische factor, een belangrijke rol spelen in de verkl aring en voorspelling van de keuze voor een van de woordvolgordes. Aansl uitend bij en zich baserend op de globale statistische analyses is in ho ofdstuk 7 ook naar een globale linguïstische verklaring gezocht voor de coëxistentie van de groene [PART+AUX] en de rode [AUX+PART] wo ordvolgorde. Er wordt geargumenteerd dat minstens een gedeelte van de ge observeerde variatie verklaard kan worden in termen van productiedruk: h oe hoger de productiedruk, hoe meer groene woordvolgordes [PART+AUX ], i.e. hoe hoger de temporele restricties op de fonologische en prosodi sche encodering van de geïntendeerde boodschap en/of op de grammaticale encodering, hoe vaker de groene volgorde [PART+AUX] gekozen wordt.
Table of Contents: VOORWOORD


OVERZICHT STATISTISCHE TECHNIEKEN


HOOFDSTUK 1 - INLEIDING TOT HET ONDERZOEK EN HET ONDERZOEKSOBJECT

1.1 Inleiding
1.2 Scope van het onderzoek
1.3 De groene en rode volgorde: een literatuuroverzicht
1.3.1 Algemene literatuur
1.3.1.1 Grammatica’s
1.3.1.2 Taaladvies
1.3.1.3 Conclusie
1.3.2 Waarom de groene en rode volgorde naast elkaar bestaan: een overzicht van het diachroon-historische onderzoek
1.3.3 Taalwetenschappelijk onderzoek naar de implementatie van de woordvolgordevariatie in een formeel-autonoom grammaticamodel
1.3.3.1 Generatieve grammatica
1.3.3.2 Andere formele grammaticamodellen
1.3.3.3 Computationele toepassingen
1.3.3.4 Conclusie
1.3.4 Taalgebruiksgeoriënteerd taalwetenschappelijk onderzoek
1.3.5 Taalwetenschappelijk onderzoek naar taalnormen
1.4 Doelstellingen en uitgangspunten van het onderzoek
1.5 Opbouw van de studie


HOOFDSTUK 2 - METHODOLOGISCHE GRONDSLAGEN VAN HET ONDERZOEK

2.1 Inleiding
2.2 Selectie van het materiaal: inhoud en structuur van de gebruikte corpora
2.3 Syntagmatische en paradigmatische restricties op het studieobject
2.4 Zoekopdracht
2.5 Zuivering van de dataset
2.6 Codering van de attestaties en statistische verwerking


HOOFDSTUK 3 - DE CONTEXTUELE DIMENSIE

3.1 Inleiding
3.2 De impact van regio
3.2.1 Status quaestionis
3.2.2 Hypotheses
3.2.3 Resultaten en discussie
3.2.3.1 Belgisch Nederlands versus Nederlands Nederlands
3.2.3.2 Streekverschillen
3.3 De impact van register
3.3.1 Status quaestionis
3.3.2 Hypotheses
3.3.3 Resultaten en discussie
3.3.3.1 Gesproken versus geschreven taal (modus)
3.3.3.2 Mate van interactie
3.3.3.3 Mate van redactionele controle
3.3.3.4 Modus, interactie en redactionele controle vergeleken en geherinterpreteerd
3.4 De interactie tussen het regio- en het registereffect
3.5 Samenvatting
3.5.1 Regio
3.5.2 Register


HOOFDSTUK 4 - DE PROSODISCHE DIMENSIE

4.1 Inleiding
4.2 De impact van de accentverdeling in de werkwoordelijke eindgroep
4.2.1 Status quaestionis
4.2.2 Hypotheses
4.2.3 Resultaten en discussie
4.2.3.1 Scheidbaar samengesteld versus niet-scheidbaar samengesteld deelwoord
4.2.3.2 Afstand van het deelwoordaccent tot het begin van de eindgroep
4.2.3.3 Afstand van het deelwoordaccent tot het einde van de eindgroep
4.3 De impact van de accentverdeling in de linkercontext
4.3.1 Status quaestionis
4.3.2 Hypotheses
4.3.3 Resultaten en discussie
4.3.3.1 Definietheid van de laatste preverbale substantiefgroep
4.3.3.2 Informationaliteit van het laatste preverbale woord
4.3.3.3 Inherentie van de laatste preverbale constituent
4.3.3.3.1 Naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
4.3.3.3.2 Niet-werkwoordelijk deel van een werkwoordelijke vaste verbinding
4.3.3.4 Lengte van het middenstuk
4.3.3.5 Afstand van het deelwoordaccent tot het laatste preverbale woordaccent
4.3.3.6 Vergelijking van de verschillende operationaliseringen
4.4 De impact van de accentverdeling in de rechtercontext
4.4.1 Status quaestionis
4.4.2 Hypotheses
4.4.3 Resultaten en discussie
4.4.3.1 Aan- vs. afwezigheid van een laatste zinsplaats
4.4.3.2 Grammaticale relatie tussen de laatste zinsplaats en het hoofd
4.4.3.3 Afstand van het deelwoordaccent tot het eerste postverbale woordaccent
4.4.3.4 Vergelijking van de verschillende operationaliseringen
4.5 De interactie tussen de accentverdeling in, voor en na de werkwoordelijke eindgroep
4.6 Samenvatting


HOOFDSTUK 5 - DE SEMANTISCHE DIMENSIE

5.1 Inleiding
5.2 De impact van de categoriale flexibiliteit van het deelwoord
5.2.1 De categoriale flexibiliteit van het deelwoord: algemene situering
5.2.2 Status quaestionis
5.2.3 Hypotheses
5.2.4 Operationalisering van de categoriale status van het deelwoord
5.2.4.1 Status quaestionis
5.2.4.2 Disambiguering van de categoriale status van het deelwoord
5.2.5 Resultaten en discussie
5.2.5.1 De categoriale status van het deelwoord (categorisch)
5.2.5.2 De categoriale status van het deelwoord (continu)
5.2.5.3 Tussentijdse samenvatting en interpretatie
5.2.5.4 De interactie tussen de participiale en constructionele semantiek
5.2.6 Aanvullingen bij de operationalisering van de categoriale status van het deelwoord
5.3 De impact van de aard van het hulpwerkwoord
5.3.1 Status quaestionis
5.3.2 Hypotheses
5.3.3 Resultaten en discussie
5.4 Samenvatting


HOOFDSTUK 6 - DE PSYCHOLINGUÏSTISCHE DIMENSIE

6.1 Inleiding
6.2 De impact van syntactische persistentie
6.2.1 Status quaestionis
6.2.2 Hypotheses
6.2.3 Resultaten en discussie
6.2.3.1 Voorafgaande tweeledige werkwoordelijke eindgroepen
6.2.3.2 Voorafgaande twee- en meerledige werkwoordelijke eindgroepen
6.2.3.3 De activatiegraad van voorafgaande werkwoordelijke eindgroepen
6.2.3.4 Onbedoelde syntactische priming in psycho-experimenteel onderzoek
6.3 De impact van de frequentie van het deelwoord
6.3.1 Status quaestionis
6.3.2 Hypotheses
6.3.3 Resultaten en discussie
6.4 Samenvatting


HOOFDSTUK 7 - COMPETITIE EN REÏNTERPRETATIE

7.1 Inleiding
7.2 Multivariate statistische analyse
7.2.1 Classificatieboomanalyse
7.2.2 Logistische regressie
7.3 Globale linguïstische analyse
7.3.1 Inhoudelijke round-up en re-evaluatie
7.3.2 Naar een psycholinguïstische verklaring van de woordvolgordevariatie
7.3.2.1 Uitgangspunt
7.3.2.2 Een psycholinguïstische interpretatie van het frequentie-effect
7.3.2.3 Een psycholinguïstische interpretatie van het effect van de grammaticale relatie tussen de laatste zinsplaats en het hoofd
7.3.2.4 Tussentijdse evaluatie
7.3.2.5 Reorganisatie van de verklaringsdimensies


HOOFDSTUK 8 - CONCLUSIES


APPENDICES


LITERATUUR
URI: 
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Quantitative Lexicology and Variational Linguistics @ Leuven

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
full_phd.pdf Published 2285KbAdobe PDFView/Open

These files are only available to some KU Leuven staff members

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.