ITEM METADATA RECORD
Title: Makelaar en agent in de bank-, beleggings- en verzekeringssector – Kwalificatie en statuut in een context van geïntegreerde financiële dienstverlening.
Authors: Eyskens, Manou
Issue Date: 16-Nov-2006
Table of Contents: Ter inleiding, ter problematisering en ter provocatie 20
Afdeling 1. De aanzet tot het onderzoek in een notendop 20
§ 1. Toespitsing van het onderzoek: noodzaak van een dubbele verbijzondering door een wetgevende “katalysator” 20
§ 2. Onderzoeksinvalshoeken: een vaststelling en een vraagstelling 22
§ 3. Samenvatting 23
Afdeling 2. Nadere ontleding: vaststelling van een feitelijke evolutie en een wetgevende (r)evolutie 23
§ 1. Eerste vaststelling: de feitelijke ontwikkeling van de branchevervaging 23
§ 2. Tweede vaststelling: een complex wetgevend kader onderhevig aan ingrijpende ontwikkelingen 25
Afdeling 3. Uitdagingen van het gevoerde onderzoek 25
Afdeling 4. Samenvatting – de “schijnbare evidentie” van het onderzoeksvoorwerp 27
§ 1. De complexiteit van het onderwerp 27
1. De niet-traditionele feitelijke context van de makelaar en de agent in het onderzoek 27
2. Een ingewikkelde terminologische kwestie rond de notie van “financiële tussenpersoon” 28
3. Onderscheid tussen makelaar en agent en de verschillen tussen de sub-sectoren 29
4. Een dubbele incongruentie 29
5. Formulering van de centrale onderzoeksvraag 30
DEEL I MAKELAAR EN AGENT IN FINANCIËLE DIENSTEN: FEITELIJKE EN ECONOMISCHE CONTEXT 33
HOOFDSTUK 1. Makelaar en agent in financiële diensten : typologie en branchevervaging 33
Afdeling 1. De notie van “financiële intermediatie” - onderscheid tussen primaire en secundaire tussenpersonen 33
§ 1. Inleiding 33
1. Een ruime benadering van de notie van “financiële dienstverlening” 33
2. Een voldoende beperkende benadering van de “financiële tussenpersoon” 33
§ 2. Primaire intermediatie in een context van geïntegreerde financiële dienstverlening 34
1. Primaire financiële tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten 34
a. Financiële intermediatie vanuit een economische benadering 34
(i) Een enge economische betekenis 34
(ii) Verruiming in economische zin 35
(iii) Catalogering in functie van de toezichthoudende overheid 37
(iv) Economische “definitie” van de term “financiële tussenpersoon 38
b. Financiële intermediatie vanuit een juridische benadering 39
(i) Verhouding tussen de financiële instellingen (financiële tussenpersonen) en de consument 39
(ii) De financiële instelling als makelaar – verschil met de “secundaire” makelaar 40
(a) Beursvennootschappen als “universele beleggingsdienstenvertrekker” volgens de Wet Beleggingsondernemingen 40
(b) De secundaire makelaar en zijn kwalificatie als “beleggingsonderneming” 41
(c) Besluit inzake primaire en secundaire makelaars 42
(d) De benadering door de Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten 44
c. Benadering vanuit de door de wetgever aangewende terminologie in verschillende regelgevingen: omtrent “financiële tussenpersonen”, “bemiddelaars” en “gekwalificeerde tussenpersonen” 46
(i) Eerste enge interpretatie: het verlenen van beleggingsdiensten door “beleggingsondernemingen” 46
(ii) Ruimere interpretatie: het verlenen van beleggingsdiensten door “beleggingsdienstenverstrekkers” sensu lato 47
(iii) Besluit 49
(iv) Verschil t.o.v. de door de Wet Beleggingsondernemingen gehanteerde omschrijving van “bemiddelaars” 50
d. Tussenbesluit bij de “primaire financiële tussenpersonen” in de bank- en beleggingssector 53
(i) Financiële tussenpersonen zijn vanuit formeel standpunt “tussenpersonen in beleggingsdiensten” 53
(ii) Een inconsistentie in de Wet Financieel Toezicht 54
2. Noodzaak tot verruiming van het kader van de financiële tussenpersoon naar de verzekeringssector 54
a. Omschrijving van de “financiële tussenpersoon” – “asymmetrie van de adressaten” 54
b. Verruiming van het kader naar de verzekeringssector 55
(i) Verscheidenheid in de definities van “financiële tussenpersoon” 55
(ii) Argumentatie vóór een verruiming naar de verzekeringssector toe 56
(iii) Verstrengeling op primair niveau en de gevolgen op secundair niveau 58
c. Verenging naar de zeer specifieke betekenis van “financiële tussenpersoon” op het secundair niveau – de makelaar en de zelfstandige agent 59
3. Twee betekenissen van de notie van “financiële tussenpersoon” en brug naar de derde betekenis 60
§ 3. Secundaire intermediatie door agenten en makelaars – hoofdrolspelers in het onderzoek 60
1. Algemeen 60
2. Makelaars en de agenten in financiële dienstverlening en de verwijzing naar enkele aanknopingspunten in de wetgeving 61
a. Benoeming van de thans meest gekende tussenpersonen 61
b. Aanknopingspunten in de wetgeving ter verwijzing naar de “secundaire tussenpersonen” 62
3. Bemiddelaars” in de Wet Kredietinstellingen en de Wet Beleggingsondernemingen: wisselwerking in verband met primaire en secundaire tussenpersonen 64
a. Beide wetten gebruiken de term “bemiddelaar” in een dubbele betekenis 64
b. Afleiding uit deze wisselwerking 65
4. Afbakening onderzoeksvoorwerp: makelaars en agenten van banken, beleggingsondernemingen en verzekeringsondernemingen 66
Afdeling 2. Financiële bemiddeling en branchevervaging: historische beschouwingen en concrete situering van het fenomeen 66
§ 1. Inleiding : de branchevervaging als grondslag en feitelijke basis van het onderzoek 66
1. Toenemende samenwerking tussen bank-, beleggings- en verzekeringssector 66
2. Kruisbestuiving binnen de wetgeving 67
3. Het onderscheid tussen de makelaar en de agent in vraag gesteld 67
§ 2. Historische evolutie van het fenomeen van de “primaire branchevervaging” en de wetgevende initiatieven 68
1. Situering van het overheidstoezicht en vraagstelling 68
a. Branchevervaging en overheidstoezicht : de kip of het ei? 68
b. Het prudentieel toezicht in dubbel verband: de branchevervaging en de gedragsreglementering 69
2. Bondige schets van de “intra-sectorele branchevervaging” binnen de banksector 70
a. Onderscheid tussen het bancaire métier en het verzekeringsmétier 70
(i) Gelijkenissen tussen beide métiers 70
(a) Vanuit economisch oogpunt 70
(b) Vanuit juridisch oogpunt 71
(ii) Verschillen tussen beide “branches” 72
b. Ontwikkeling van het bankwezen en zijn eerste evolutie naar een gespecialiseerd bancair landschap 72
(i) De gemengde banken: noodzaak tot een strikt onderscheid tussen privébanken enerzijds en de zgn. “nieuwe financiële instellingen” anderzijds 73
(a) Ontstaan en groei van de gemengde banken 73
(b) Zwakheden van het systeem en crisis tijdens de jaren ‘30 75
(ii) De banksector op weg naar specialisatie – de inrichting en organisatie van een strikt overheidstoezicht 76
c. Stapsgewijze organisatie van het bancaire overheidstoezicht: een versnipperde wetgeving tot gevolg 80
d. Eerste “spontane” en tweede “wettelijke” branchevervaging 82
e. Derde branchevervaging 82
f. Overheidstoezicht over de verzekeringssector 83
g. Verschil tussen het prudentieel toezicht in Deel I en de verwijzing naar het prudentieel toezicht in Deel II: een andere invalshoek 83
(i) Evolutie van het overheidstoezicht op de financiële sector 83
(ii) Kadering van het prudentieel toezicht binnen het algemeen leerstuk van het “toezicht” (over de toegang tot het beroep enerzijd, en over de naleving van de gedragsregels anderzijds). 84
3. De “synthetische fresco” van de “bancassurfinance” en de branchevervaging 85
a. Wederzijdse “commerciële verhouding” tussen banken en verzekeraars 86
b. Een eerste “cross selling” van verzekeringsproducten via bancaire kanalen 86
c. Hybride producten en gestructureerde samenwerking 87
(i) De ontwikkeling van nieuwe producten: een korte brainstorming 87
(ii) Een groeiende gestructureerde “intersectorele” samenwerking 92
(iii) Gevolgen van het groepsfenomeen 93
4. Besluit 94
§ 3. Scenario’s van de branchevervaging en illustraties 95
1. Eerste scenario: Aanwending door verzekeringsondernemingen van bancaire distributiekanalen 96
2. Tweede scenario: verdeling van hybride producten 98
3. Derde scenario: aanwending door kredietinstellingen en beleggingsondernemingen van verzekerings-distributiekanalen 98
4. Praktische illustraties 99
5. Twee bijkomende vragen 100
a. Voordelen voor de betrokken ondernemingen 100
b. De rol van de tussenpersoon? 101
Afdeling 3. Despecialisatie – desintermediatie – diversificatie: brainstorming 101
§ 1. Primaire despecialisatie 101
1. Algemene betekenis van de “despecialisatie” 101
2. Despecialisatie op het eerste niveau 102
§ 2. Secundaire despecialisatie en haar gevolgen: desintermediatie en diversificatie 103
1. Secundaire despecialisatie leidt tot desintermediatie 103
a. Vaststelling van nieuwe virtuele verkoopstechnieken 103
b. De tussenpersoon als tussenschakel bedreigd? 104
2. Secundaire despecialisatie leidt tot diversificatie 105
a. Diversificatie in de hoedanigheid van de tussenpersoon 105
b. Concrete voorbeelden 105
(i) Bancassurance sensu stricto en sensu lato 105
(ii) Assurfinance 106
3. Besluit: secundaire despecialisatie en haar gevolgen 107
4. Bijkomende opmerking: vier voorbeelden of concretiseringen van de notie van “desintermediatie” 108
a. Op het niveau van de financiële instellingen zelf (primair niveau) 108
b. Op het niveau van de distributie van financiële diensten (secundair niveau) 108
(i) Desintermediatie in verticale zin 108
(ii) Desintermediatie in horizontale zin 109
5. Besluit inzake het voorwerp van het onderzoek 109
§ 3. Cijfergegevens uit de praktijk 110
DEEL II MAKELAAR EN AGENT IN FINANCIËLE DIENSTEN: WETTELIJK EN REGLEMENTAIR KADER 116
HOOFDSTUK 1. Verantwoording methodologie 116
Afdeling 1. Structuur binnen het regulerend kader en typologie van reglementering 116
§ 1. Drievoudige invalshoek 116
§ 2. Situering van de reglementering binnen het gemaakte onderscheid “privaat” en “publiek” 117
1. Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke wetgeving - basisonderscheid 117
2. Bijkomend onderscheid binnen het publiekrechtelijke luik – regels inzake de toegang tot het beroep en gedragsregels - prudentieel en gedragstoezicht 118
3. Bijkomende opmerking inzake de hybride aard van de circulaires 119
§ 3. Overzicht van de onderscheiden hoofdstukken in Deel II en Deel III 120
Afdeling 2. Beschouwingen omtrent het privaatrechtelijk en het publiekrechtelijk kader 120
§ 1. Het privaatrechtelijk kader - toepassing van de Handelsagentuurwet op de agent in de bank-, beleggings- en verzekeringssector 120
1. Algemeen 120
2. Opmerkingen 120
a. De Handelsagentuurwet als kantelmoment 120
b. Beperking van de draagwijdte “ratione personae” van de Handelsagentuurwet 121
§ 2. Het publiekrechtelijk kader en haar reglementering: verschil tussen het standpunt van de primaire tussenpersoon en de secundaire tussenpersoon 122
1. Twee luiken - standpunt van de primaire of van de secundaire tussenpersoon 122
a. Publiekrechtelijk kader van de primaire tussenpersonen 122
b. Publiekrechtelijke reglementering van de secundaire tussenpersonen 123
2. Drie bijkomende beschouwelijke bemerkingen 124
a. Het basisonderscheid wordt gemaakt vanuit de specifieke invalshoek van de secundaire tussenpersoon 124
b. Toepassing van de Wet Handelspraktijken 125
c. De rol van de primaire tussenpersoon in het proefschrift 126
§ 3. Samenvattend: concrete reglementering 127
HOOFDSTUK 2. Algemeen overzicht en inventaris van voor tussenpersonen relevante wetgeving 128
Afdeling 1. Communautaire wetgeving 128
§ 1. Algemeen 128
§ 2. Verzekeringstussenpersonen 129
a. Richtlijn Handelsagentuur 129
b. Toegang tot het verzekeringsbedrijf – de richtlijnen inzake primaire verzekeringsondernemingen 129
c. Richtlijn Verzekeringsbemiddeling van 2002 130
d. Interessant aanknopingspunt naar de secundaire tussenpersoon in de “Tweede Richtlijn Leven” 132
§ 3. Tussenpersonen in de bank-, kredietverlenings- en beleggingssector 134
1. Algemeen 134
2. Toegang tot het bedrijf van de kredietinstellingen 134
3. Toegang tot het bedrijf van de “beleggingsdienstenverstrekker” 136
a. Beleggingsdienstenrichtlijn en een eerste aanduiding van de “verbonden agent” 136
b. Richtlijn Financiële Instrumenten – een belangrijke stap in de verdere harmonisering 136
c. Verschil tussen beide richtlijnen in het licht van nieuwe ontwikkelingen 137
§ 4. Algemeen besluit bij het Europeesrechtelijk kader 140
Afdeling 2. Overzicht van het Belgisch reglementair kader: een versnipperd landschap 141
§ 1. Toepassing Handelsagentuurwet op de financiële sector: inrichting van een privaatrechtelijk kader 141
§ 2. Het publiekrechtelijk kader rond de zelfstandige agent en de makelaar in de financiële dienstverlening 142
1. Algemeen: een versnipperde wetgeving verspreid over “deelwetgevingen” 142
2. Voorbeelden van de versnippering 143
3. Verband met het gedragstoezicht - Toepassing van de Wet Handelspraktijken op makelaar en agent in financiële diensten 144
4. Reglementering inzake het toezicht : twee soorten 145
a. Algemeen: onderscheid tussen twee soorten toezicht 145
b. Het prudentieel toezicht als dusdanig 147
(i) Verschillende modellen van toezicht en de ingrijpende wijziging van de Wet Financieel Toezicht 147
(ii) De prudentiële controle 149
c. Sectorele benadering: het toezicht over banken en verzekeringsondernemingen – korte toelichting 152
(i) Algemeen 152
(ii) Toezicht op beide zuilen en verschil in de benadering van de wetgever 152
(iii) Concrete bancaire prudentiële regels: vindplaatsen in de wetgeving 154
d. Samenvatting 157
e. Drie opmerkingen 158
(i) Belgisch initatief 158
(ii) Sectorele benadering door de CBFA 159
(iii) Asymmetrie in het wetgevend kader - een dubbele illustratie 159
(a) Relevantie van het prudentieel toezicht naar de tussenpersonen toe: de Circulaires 159
(b) Uitbreiding van het toezicht van de CBFA op het secundaire niveau van de “nieuwe tussenpersonen” in de bank- en beleggingsdienstensector – de Wet Financiële Bemiddeling en het daarin opgenomen gedragstoezicht 160
HOOFDSTUK 3. Privaatrechtelijk statuut van agent en makelaar in financiële diensten 162
Afdeling 1. Structuur binnen regulerend kader en typologie 162
§ 1. Plan binnen de Hoofdstukken 3 en 4: onderscheid tussen de privaatrechtelijke Handelsagentuurwet en de publiekrechtelijke sectorele reglementering 162
§ 2. Situering van de Handelsagentuurwet 163
Afdeling 2. Oorspronkelijke uitsluiting van de financiële sector uit de Handelsagentuurwet 164
§ 1. Achtergrond van de uitsluiting van de financiële sector uit de Handelsagentuurwet 164
1. Uitsluiting van de “diensten” uit het toepassingsgebied van Richtlijn 86/653 en de toepassing van de Handelsagentuurwet op de “diensten” 164
2. Uitsluiting van de financiële dienstensector 166
a. Achtergrond 166
b. Uitsluiting van de verzekeringsbemiddelingssector 168
(i) Algemeen: verantwoording van de uitsluiting 168
(ii) Oordeel van het Arbitragehof 169
c. Uitsluiting van de bankbemiddelingssector 171
(i) Algemeen: verantwoording van de uitsluiting 171
(ii) Oordeel van het Arbitragehof 172
d. Beleggingsdienstenbemiddeling: welke agenten werden geviseerd? 174
(i) Het precieze toepassingsgebied van art. 3, 2° Handelsagentuurwet 174
(ii) De betekenis van art. 3, 3° Handelsagentuurwet 175
(a) De door art. 3, 3° bedoelde primaire tussenpersonen 175
(b) Verwijzing naar de voorgangers van de beursvennootschappen 176
(iii) Uitspraak van het Arbitragehof 178
§ 2. Besluit: noodzaak van de wetswijziging van 1999 180
Afdeling 3. Toepassing van de Handelsagentuurwet op de agent in de bank-, beleggings- en verzekeringssector 183
§ 1. Opheffing van de uitsluiting 183
§ 2. Toepassingsproblemen binnen de verzekeringssector in verband met de Handelsagentuurwet 184
1. Bepaalde toepassingsproblemen voortvloeiende uit definities en gebruiken uit de verzekeringssector 184
a. Terminologisch onderscheid tussen de agent in de zin van de Handelsagentuurwet en “verzekeringagent” volgens de Verzekeringsbemiddelingswet 184
b. De vergoeding van de verzekeringsagent en de “gebruiken” van de verzekeringssector 186
c. De rechten van de agent bij het einde van de overeenkomst 188
2. Toepassingsproblemen in de banksector 189
a. Algemeen: discussie binnen de banksector tussen bankiers en bankagenten 189
b. Voorbeelden van mogelijke toepassingsproblemen 190
(i) Bepaling van de commissielonen 190
(ii) De beëindiging van de overeenkomst 191
3. Het specifieke probleem van de toepassing van het overgangsrecht onder de Handelsagentuurwet 192
a. Ter situering 192
b. Regels inzake het overgangsrecht onder de Handelsagentuurwet 195
(i) Onmiddellijke inwerkingtreding van de Handelsagentuurwet 195
(ii) Draagwijdte van artikel 29 Handelsagentuurwet 196
(iii) Vier concrete hypotheses waarin het overgangsrecht haar relevantie toont 197
Afdeling 4. Besluit en brug naar Hoofdstuk 4 201
§ 1. Verschil tussen het privaatrechtelijk statuut van makelaars en agenten in de bank-, beleggings- en verzekeringssector 201
§ 2. Brug naar Hoofdstuk 4 inzake de publiekrechtelijke reglementering 203
§ 3. De Handelsagentuurwet in confrontatie met de nieuwe tendensen: een stap terug? 204
HOOFDSTUK 4. Publiekrechtelijke reglementering rond de makelaar en agent in financiële diensten 206
Afdeling 1. Inleiding - Verwijzing naar voorafgaand besluit bij Hoofdstuk 3 en structuur van het schema 206
§ 1. Algemeen: onderscheid privaatrechtelijk en publiekrechtelijk statuut van makelaars en agenten 206
§ 2. Plan van het Hoofdstuk 206
§ 3. Onderscheid tussen regels inzake de toegang tot het beroep en de gedragsregels – situering binnen het geheel van het onderzoek en vergelijking met Deel III 207
Afdeling 2. Verzekeringsbemiddeling en distributie van verzekeringen: relevante aspecten van de (gewijzigde) Verzekeringsbemiddelingswet 207
§ 1. Aanloop tot de Verzekeringsbemiddelingswet 207
1. Algemene opmerkingen 207
2. Drie Generaties Richtlijnen en de link naar de regulering van de verzekeringstussenpersoon 208
a. Korte historiek 208
b. Interessant aanrakingspunt tussen Tweede Richtlijn Leven en de “secundaire tussenpersoon” 212
3. Bepalingen uit de communautaire wetgeving met betrekking tot de “verzekeringstussenpersoon” 212
§ 2. Samenvatting van het regime onder de Verzekeringsbemiddelingswet inzake de toegang tot het beroep van verzekeringsbemiddelaar 214
§ 3. Knelpunten als aanleiding van de wetswijziging van 11 april 1999 216
1. Verenging van het toepassingsgebied van de wet 217
2. Afschaffing van het onderscheid tussen onafhankelijke en niet-onafhankelijke tussenpersonen 218
a. Oorspronkelijk regime van de Verzekeringsbemiddelingswet van 1995 218
b. Cruciaal verband tussen onderscheid “makelaar” en “agent” en de exclusiviteit in een nieuw licht geplaatst in de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 221
(i) Algemeen: de door de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling vereiste aanpassingen in de Belgische wet 221
(ii) Verband tussen het onderscheid tussen “makelaar” en “agent” en het principe van de exclusiviteit 222
3. De informatieplicht 224
a. Wet van 11 april 1999 224
b. Wijzigingen naar aanleiding van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 224
(i) Formele informatieplicht omtrent de “de facto” onafhankelijkheid van de tussenpersonen 224
(ii) Materiële informatieplicht in drie luiken 225
(iii) Evaluatie en vraagstelling 226
(a) De informatieplicht in de Verzekeringsbemiddelingswet 226
(b) Ruimer perspectief 228
4. Conformiteitsgarantie 229
a. Algemeen: een belangrijke garantieverplichting 229
b. Wijziging door de implementatie van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 231
5. Besluit 232
Afdeling 3. Bemiddeling in de bancaire sector: de CBF-Circulaire 93/5 233
§ 1. Inleiding - algemeen kader van de circulaire 233
1. Toepassing op secundaire bancaire tussenpersonen 233
2. Aanknopingspunt in de Wet Kredietinstellingen 234
3. Grondslag en doelstelling van de circulaire 236
4. Normatief karakter van de circulaire 236
5. Besluit 237
§ 2. Inhoud van de circulaire – definitie van “gevolmachtigde bankagent” 238
1. Algemeen: drie krijtlijnen van de CBF-Circulaire 238
2. “Gevolmachtigde agent” als tussenpersoon van een kredietinstelling 238
§ 3. Het principe van de exclusiviteit 240
1. Bepaling van art. 2.1.1. CBF-Circulaire 240
2. Doelstelling en effecten van de exclusiviteitsregel 241
3. Het bijzondere statuut van de kredietmakelaar vergeleken met het statuut van de gevolmachtigde bankagent 242
a. Situering van de kredietbemiddeling binnen de sector van de bankdiensten 242
b. Kredietagenten en kredietmakelaars 244
(i) Definities volgens de Wet op het Consumentenkrediet 244
(ii) Aan de kredietbemiddelaars opgelegde wettelijke verplichtingen 244
(a) Inschrijvingsvereisten 244
(b) Toegang tot het beroep – vergelijking met de Verzekeringsbemiddelingswet 245
(c) Gedragsregels – invoering door de wet van 24 maart 2003 245
(d) Gedragsregels – vergelijking met de Verzekeringsbemiddelingswet en de Richtlijn Financiële Instrumenten 247
c. Wijzigingen naar aanleiding van de implementatie van een Europese Richtlijn? 248
§ 4. Onverenigbaarheden volgens de CBF-Circulaire 93/5 249
1. Algemeen principe 249
2. Toepassingsproblemen en reactie van de toezichthoudende overheid 250
a. De cumul van de hoedanigheid als gevolmachtigde agent van een kredietinstelling en gevolmachtigde agent van een beursvennootschap 250
b. De cumul tussen de activiteit van een wisselkantoor en de verkoop van andere bankproducten 251
c. Cumulatie van een activiteit onder statuut en een activiteit als gevolmachtigd agent 252
d. Cumul tussen de verkoop van goederen en het statuut als gevolmachtigde agent van een kredietinstelling 252
e. Onverenigbaarheden volgens de Wet Financiële Bemiddeling 253
§ 5. Het geschreven agentencontract 253
§ 6. Informatieplicht 254
1. Een summiere informatieplicht onder de CBF-Circulaire 254
2. De informatieplicht in andere wetgevende bronnen – Brug naar Deel III, Hoofdstuk 2 omtrent de gedragsregels 255
a. Wet op het Consumentenkrediet en Wet Financiële Bemiddeling 255
b. Samenlezing van de verschillende bepalingen 256
§ 7. Het verbod op cash handling of het houden van geld en effecten van cliënten 257
§ 8. De toegang tot het beroep van gevolmachtigde bankagent: immatriculatie en het voldoen aan beroepskennis- en bekwaamheidsvereisten 257
Afdeling 4. Bemiddeling in de beleggingssector: de CIF-Circulaire 92/1 257
§ 1. Inleiding en algemeen kader van de CIF-Circulaire 92/1 257
1. Aanknopingspunt in de Wet Beleggingsondernemingen m.b.t. de “secundaire tussenpersoon” in beleggingsdiensten en de “makelarij in beleggingsdiensten” in een dubbele betekenis 257
2. Grondslag en doelstelling van de CIF-Circulaire 92/1 259
§ 2. Definitie van gevolmachtigde agent van een beursvennootschap en verband met de door de Richtlijn Financiële Instrumenten omschreven “verbonden agent” 260
1. Art. 2.1. CIF-Circulaire 92/1 260
2. “Gevolmachtigde agent in beleggingsdiensten” – verschil tussen een gevolmachtigde bankagent en een gevolmachtigde agent van een beursvennootschap 261
a. Gevolmachtigde agent van een beursvennootschap 261
b. Gevolmachtigde agent van een kredietinstelling: dubbele bevoegdheid 262
c. Interessante vraag: kunnen deze tussenpersonen als beleggingsonderneming gekwalificeerd worden? 263
3. Contante geldwissel 265
4. Structuur van de CIF-Circulaire 92/1 265
§ 3. Exclusiviteit van de gevolmachtigde agent ten aanzien van de mandaterende beursvennootschap 265
§ 4. Overenigbaarheden 266
1. Door de CIF-Circulaire 92/1 voorziene hypotheses 266
2. Toepassing door de toezichthouder 268
3. Onverenigbaarheden volgens de Wet Financiële Bemiddeling 269
§ 5. Het geschreven agentencontract 269
§ 6. De informatieplicht van de gevolmachtigde agent van een beursvennootschap 270
§ 7. Het verbod op cash handling of het houden van geld en effecten van cliënten 271
1. Algemeen principe 271
2. Regeling volgens de Wet Financiële Bemiddeling 272
3. Concreet voorbeeld van de aanbieding van tak-23-producten door beleggingsondernemingen en beleggingsadviseurs en de toepassing van Circulaire D4/EB/2002/1 273
a. Een dubbele controlestructuur 273
b. Mogelijke onverenigbaarheden 274
(i) Strijdigheid in verband met de ontvangst van gelden 274
(a) Principe door de CBF neergelegd 274
(b) Bemerkingen inzake het CBF-standpunt 275
(c) Samenlezing van de toepasselijke bepalingen uit de formele wetgeving 277
(ii) Een omstandige informatieplicht is opgenomen in Circulaire D4/EB/2002/1 aan de beleggingsondernemingen en beleggingsadviseurs 278
(a) Principe zoals neergelegd door de Circulaire D4/EB/2002/1 aan de beleggingsondernemingen en beleggingsadviseurs 278
(b) Spanningsveld tussen de circulaire en formele wettelijke bepalingen? 279
§ 8. De toegang tot het beroep van gevolmachtigde agent van een beursvennootschap: immatriculatie en het voldoen aan beroepskennis- en bekwaamheidsvereisten 280
Afdeling 5. Verzoenbaarheid tussen de circulaires en de Handelsagentuurwet 280
§ 1. De “onverwijlde” beëindiging volgens de CBF-Circulaire en de CIF-Circulaire 280
§ 2. Belang van de bescherming van de Handelsagentuurwet 281
Afdeling 6. Normatieve waarde van de circulaires 283
§ 1. Uitspraak van de Raad van State inzake de schorsing van Circulaire ICB 1/2000 “Autonomie en voorkoming van belangenconflicten” 283
1. Vraagstelling naar de rol van de circulaires 283
a. Achtergrond van Circulaire ICB 1/2000 “Autonomie en voorkoming van belangenconflicten” 283
b. Instelling van het verzoek tot nietigverklaring en schorsing bij de Raad van State 285
c. Argumenten van de Raad van State 286
d. Uit de bewoordingen van de Raad van State af te leiden principes 288
(i) Scheiding der machten en de delegatie van verordeningsbevoegdheid aan de CBF 288
(ii) Het reglementair karakter van de circulaire en de bevoegdheid ten gronde van de CBF 288
2. Tussenbesluit bij het besproken arrest van de Raad van State 289
§ 2. Besluit bij het hoofdstuk inzake de circulaires en de uit hun aard en inhoud voortvloeiende problemen 291
1. Een drievoudige invalshoek 291
2. Aanpassing van de circulaires? 292
a. Aanpassing omwille van strijdigheden met dwingende bepalingen van de Handelsagentuurwet 292
b. “Onrechtstreekse adressering” van de circulaires ten aanzien van de gevolmachtigde agenten 293
c. De Wet Financiële Bemiddeling 294
3. Besluit 295
§ 3. De territoriële toepassing van de circulaires en de toepassing ervan op door buitenlandse ondernemingen gevolmachtigde agenten 296
1. Grensoverschrijdende dienstverlening van buitenlandse kredietinstellingen? 296
a. Toepassing van de CBF-Circulaire 93/5? 296
b. Regulering van grensoverschrijdende bemiddelingsactiviteit zelf in de Richtlijn Financiële Instrumenten en in de Wet Financiële Bemiddeling 298
c. Nota van de CBFA inzake de “bepalingen van algemeen belang” 300
2. Grensoverschrijdende beleggingsdienstenverstrekking 301
a. Belang van de Richtlijn Financiële Instrumenten en de harmonisering van de gedragsregels 301
b. Toepassing van de CIF-Circulaire 92/1? 302
c. Nota van de CBFA inzake de “bepalingen van algemeen belang” 303
Afdeling 7. Wet Financiële Bemiddeling: een belangrijke omwenteling in het landschap van de financiële dienstverlening 303
§ 1. Voorgeschiedenis van de wet 303
1. Vaststellingen gemaakt door de werkgroep CBF/CDV 303
2. Pijlers van het debat 304
3. Concrete vragen als voorwerp van het debat 305
a. De versoepeling van de exclusiviteitsplicht en de invoering van een niet-verbonden tussenpersoon in (bank- en) beleggingsdiensten 305
b. Mogelijkheid tot kruisbestuiving tussen verzekeringssector en bank- en beleggingsdienstensector? 305
(i) Kruisbestuiving met betrekking tot de registratie van de tussenpersoon 305
(ii) Kruisbestuiving met betrekking tot de gedragsregels: de informatieplicht en de cash handling 306
(a) Kruisbestuiving m.b.t. de informatieplicht 306
(b) Kruisbestuiving m.b.t. de cash handling 306
§ 2. Hoofddoelstelling van de initiatiefnemer van het wetsvoorstel: de vereniging van zelfstandige bankagenten (BZB) 308
§ 3. Enkele onduidelijkheden van het initiële wetsvoorstel en het daaromtrent gevoerde debat 309
1. Het toepassingsgebied ratione personae en ratione materiae van het “wetsvoorstel Willems” 309
a. Vier soorten tussenpersonen 309
b. Vragen met betrekking tot het statuut van de bankmakelaar en zijn opdrachtgevers 310
2. Informatieplicht 312
3. Cash handling door de tussenpersonen 313
4. Onverenigbaarheden 314
5. Verslag van de Raad van Toezicht van de Overheid der Financiële Diensten 316
§ 4. Kort samengevat: belangrijkste punten van de Wet Financiële Bemiddeling 316
1. Immatriculatie 316
a. Vernieuwend element in de Wet Financiële Bemiddeling 316
b. Concrete toegangsregels 317
2. Gedragsregels 318
3. Controle door de CBFA 318
Afdeling 8. Besluit bij het privaatrechtelijk en publiekrechtelijk statuut van de makelaar en agent 319
§ 1. Vóór de Wet Financiële Bemiddeling doch onder het regime van de Verzekeringsbemiddelingswet 319
§ 2. Nà de promulgatie van de Wet Financiële Bemiddeling én de gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet 321
KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN 322
DEEL III 322
MANOU EYSKENS 322
PROMOTOR: PROF. DR. H. COUSY 322
DEEL III BOUWSTENEN VOOR EEN VERNIEUWD WETTELIJK KADER VOOR DE MAKELAAR EN AGENT IN FINANCIËLE DIENSTEN 325
HOOFDSTUK 1. Makelaar en agent in de recente wetgeving – nieuwe invulling van hun hoedanigheid 325
Inleiding 325
Afdeling 1. De agent en de makelaar in de verzekeringsbemiddelingswetgeving 325
§ 1. Algemeen: het optreden door een verzekeringstussenpersoon en de kwalificatie als lastgeving 325
§ 2. Evolutie binnen het door de Verzekeringsbemiddelingswet gehanteerde begrippenkader ter aanduiding van de makelaar en de agent 327
1. Algemeen 327
2. Het onderscheid van verzekeringstussenpersonen bij de invoering van de Verzekeringsbemiddelingswet van 27 maart 1995 – technische invulling 328
3. Wetswijziging van 11 april 1999 329
4. Samenvatting: het verschil tussen de Verzekeringsbemiddelingswet anno 1995 en anno 1999 331
5. Tussenbesluit – Verzekeringsbemiddelingswet van 1995 naar 1999 332
a. Wet van 1995 332
b. Wet van 1999 332
6. Verdere evolutie door Europese initiatieven geïnspireerd 333
a. Europese wetgeving en aanzet tot een nieuw onderscheid? 333
b. De gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet blijft “traditioneel” 334
c. Verschillende bemiddelingsopdrachten voor de verzekeringsagent en -makelaar – strijdigheid met de praktijk? 334
d. Vergelijking met de Wet Financiële Bemiddeling 335
Afdeling 2. De agent en de makelaar in de bank- en- de beleggingssector 335
§ 1. Makelaarsactiviteit in beleggingsdiensten – twee wijzen van benadering 335
1. Voorafgaande opmerking: makelaarsactiviteit in de beleggingsdienstensector - bemiddelingsactiviteit in de horizontale en de verticale zin 336
a. Primaire makelaars – beursvennootschappen en vennootschappen voor makelarij in financiële instrumenten 336
b. Secundaire makelaars en de verzoenbaarheid met de Richtlijn Financiële Instrumenten? 338
2. Eerste vraag: verstrekking van financiële diensten door niet-exclusieve tussenpersonen 338
3. Tweede vraag: is een niet-exclusieve tussenpersoon in beleggingsdiensten een beleggingsonderneming in de zin van de Richtlijn Financiële Instrumenten? 339
a. Vraagstelling en antwoord door de Richtlijn Financiële Instrumenten 339
b. Bron van interpretatie: de Beleggingsdienstenrichtlijn van 1993 341
§ 2. De inhoud van de aan de agent en de makelaar in bankdiensten toegekende bemiddelingsopdracht 342
1. De bevoegdheden van agent in bankdiensten volgens een letterlijke lezing van de CBF-Circulaire 342
a. De lezing van de CBF-Circulaire 93/5 – de agent als vertegenwoordiger of lasthebber? 342
b. Lastgeving en informatieverstrekking 343
c. Samenvattend 345
(i) De agent als vertegenwoordiger 345
(ii) Korte vergelijking met de Handelsagentuurwet 345
(a) Hoedanigheid en de bemiddelingsopdracht van de “handelsagent” in de zin van de Handelsagentuurwet 345
(b) Soorten agenten volgens de Handelsagentuurwet 346
2. De agent in bankdiensten volgens de Wet Financiële Bemiddeling 347
a. De “bankdiensten” in de zin van art. 4, §1, a) Wet Financiële Bemiddeling 347
b. De agent in bankdiensten en zijn opdracht als “exclusieve makelaar” 348
c. Vergelijking met de CBF-Circulaire 349
d. Vergelijking met de Wet op het Consumentenkrediet 349
(i) Algemeen 349
(ii) Bevoegdheden van de kredietagent 350
(a) De kredietagent is een vertegenwoordiger 350
(b) De kredietagent is exclusief verbonden 351
e. Vergelijking met de Nederlandse Wet Financiële Dienstverlening 352
3. De makelaar in bankdiensten – een nieuw soort tussenpersoon of toch niet helemaal? 352
a. Vermelding van de kredietmakelaar in de CBF-Circulaire 93/5 en situering van de kredietmakelaar in de Wet Consumentenkrediet 352
b. Taak van de makelaar in bankdiensten in de Wet Financiële Bemiddeling 354
4. Bijkomende beschouwing: het occasioneel dan wel permanent karakter van de band tussen de makelaar resp. agent ten aanzien van de principaal 355
a. Algemeen: het occasioneel karakter van de bemiddeling in de Handelsagentuurwet en de Verzekeringsbemiddelingswet 355
b. Het occasioneel karakter van de bemiddeling door de agent en de makelaar in de Wet Financiële Bemiddeling 356
§ 3. De inhoud van de aan de agent en de makelaar in beleggingsdiensten toegekende bemiddelingsopdracht 357
1. Taakomschrijving van de “gevolmachtigde agent van een beursvennootschap” volgens de CIF-Circulaire 92/1 357
a. Algemeen: art. 2.1. CIF-Circulaire 92/1 en vergelijking met art. 23 Richtlijn Financiële Instrumenten 357
b. Is er in de beleggingsdienstensector sprake van het “sluiten van rechtshandelingen” door de gevolmachtigde agent? 358
2. De agent in beleggingsdiensten volgens de Wet Financiële Bemiddeling 360
(i) Interessant verschil - ruimer toepassingsgebied ratione personae 360
(ii) De bemiddelingstaak van de agent in beleggingsdiensten volgens de Wet Financiële Bemiddeling 361
3. De makelaar in beleggingsdiensten – de “nieuwste soort” tussenpersoon 361
§ 4. Samenvattende vergelijking tussen de bevoegdheden van de agent en de makelaar in zes hoedanigheden 362
1. Agent en makelaar in de Verzekeringsbemiddelingswet 362
2. Bank- en beleggingsdiensten 363
a. Agent in bankdiensten 363
b. Makelaar in bankdiensten 363
c. Agent in beleggingsdiensten 363
d. Makelaar in beleggingsdiensten 364
§ 5. Bijkomende opmerking in verband met de hoedanigheid van de opdrachtgever 364
§ 6. Twee vergelijkingen 366
1. Een eerste vergelijking tussen de bank- en de beleggingssector 366
a. Eerste vaststelling: twee inconsistenties tussen de circulaires en de Wet Financiële Bemiddeling 366
(i) Inconsistentie tussen de CBF-Circulaire en de Wet Financiële Bemiddeling voor de agent in bankdiensten 366
(a) De beperking van de omschrijving door de Wet Financiële Bemiddeling 366
(b) Bedoeling van de wetgever 367
(c) De agent in bankdiensten die overeenkomsten mag sluiten? 368
(ii) Inconsistentie tussen de CIF-Circulaire en de Wet Financiële Bemiddeling voor de agent in beleggingsdiensten 368
b. Tussenbesluit 368
c. Tweede vaststelling: een secundaire branchevervaging? 369
2. Tweede vergelijking: de bank- en beleggingssector vs. de verzekeringssector 370
a. De “traditionele aanpak” van de wetgever m.b.t. verzekeringsbemiddeling 370
b. Verschillen tussen agenten in verzekeringsbemiddeling en in bank- en beleggingsdienstenbemiddeling tegenover de makelaars 371
§ 7. Het criterium van de exclusiviteit 371
1. De exclusiviteit van de agent in het traditionele handelsrecht 371
2. Aanzet vanuit de verzekeringsbemiddelingssector 372
3. Was het exclusiviteitscriterium in de Verzekeringsbemiddelingswet 1995 dan modern? 372
4. Verzekeringsbemiddelingswet 1999 – een stapje terug 373
5. Ook de Verzekeringsbemiddelingswet d.d. 22 februari 2006 behoudt het klassieke begrippenkader 374
6. De exclusiviteit in de reglementering in bank- en beleggingsdiensten 374
7. Samenvattend 375
§ 8. Verband tussen exclusiviteit en de gedragsregels in de moderne wetgeving 375
1. Verband tussen exclusiviteit en informatieplicht in de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling en de Verzekeringsbemiddelingswet 376
2. Verband tussen exclusiviteit en informatie in de Wet Financiële Bemiddeling 377
a. De beperkte regeling in de Wet Financiële Bemiddeling 377
b. Delegatie naar de Koning 378
c. Besluit 379
§ 9. Optreden onder de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de agent en de makelaar 380
1. Agent in bank- en beleggingsdiensten 380
a. De toerekening is gesteund op een volkomen lastgeving 380
b. De moderne aanpak van de Wet Financiële Bemiddeling 382
c. Vergelijking met de Nederlandse Wet Financiële Dienstverlening 383
d. Vergelijking met de Wet op het Consumentenkrediet 383
2. Verschil met de verzekeringsbemiddelingssector 383
Afdeling 3. Ruimere beschouwing en brug naar Hoofdstuk 2 384
§ 1. Inleiding – Vraagstelling 384
§ 2. Merkwaardige juridisch-technische vaststellingen 384
1. Inhoud van de bemiddelingsactiviteit en a-typische hoedanigheid van de “agent in bankdiensten” 384
a. De agent in bank- en beleggingsdiensten 384
b. Makelaar in bank- en beleggingsdiensten 386
2. De informatieplicht en de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever – vergelijking tussen bank- en beleggingsdiensten en verzekeringsbemiddeling 386
3. Probleem van het a-typisch karakter van de agent in bank- en beleggingsdiensten 387
4. Vergelijking met de Verzekeringsbemiddelingswet en probleem van branchevervaging en integratie van diensten 387
§ 3. Pleidooi voor een formeel-legistieke vereenvoudiging 388
§ 4. Pleidooi voor een integratie van wetgeving 389
§ 5. Brug naar Hoofdstuk 2 390
1. Aanleiding 390
2. Vermindering van het “privaatrechtelijk aandeel” en de toename van het “publiekrechtelijk luik” - een verschuiving binnen het reglementair kader 390
HOOFDSTUK 2. Gedragsregels 392
Inleiding: Benadering vanuit een drievoudige invalshoek 392
Afdeling 1. Aard en situering van het gedragstoezicht 393
§ 1. Aard van de gedragsregels: van “ethische code” tot wettelijk afdwingbare gedragsreglementering 393
1. De omzetting van een ethische norm naar een afdwingbare juridische gedragsregel 393
2. Toepassing op de gedragsregels in het financieel recht 395
a. Algemeen: vindplaatsen in de primaire en de secundaire wetgeving 395
b. Toespitsing van de gedragsregels op de secundaire tussenpersonen 396
(i) Vraagstelling en vaststellingen 396
(a) De niet-evidentie van de toepassing van gedragsregels op secundaire tussenpersonen 396
(b) Nieuwe principes ten gevolge van ingrijpende wetgevende omwentelingen 397
(c) Vernieuwing van de notie van “gedragsregels” ten aanzien van de secundaire tussenpersonen en belang van de evolutie 397
(ii) Afwezigheid van enige reglementering vóór de Wet Financiële Bemiddeling en vóór de gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet 398
(iii) De invoering van de gedragsregels sensu stricto ten aanzien van makelaars en agenten 399
c. Oorsprong van de gedragsregels in de beleggingsdienstensector: een wetgevende revolutie in 1995 399
(i) De invoering van de “ethische regels” in de marktgerichte beleggingsdienstensector 399
(ii) Concrete doelstelling van de wetgever bij de invoering van “beleggingsgedragsregels” 400
§ 2. Relevantie van de gedragsregels ten aanzien van de primaire en de secundaire tussenpersonen 403
1. Kadering van de gedragsregels binnen het landschap van met elkaar verbonden primaire en secundaire tussenpersonen 403
2. Relevantie ten aanzien van de primaire tussenpersonen – twee luiken 403
a. “Toegang tot het beroep van de primaire tussenpersonen” - bedrijfseconomische vereisten of het prudentieel toezicht 403
b. Gedragsregels sensu stricto – adressering aan de beleggingsdienstenverstrekkers 403
(i) Algemeen - vindplaatsen van de primaire gedragsregels 403
(ii) Het toepassingsgebied van de artikelen 36 Wet Beleggingsondernemingen en 26 Wet Financieel Toezicht – primaire tussenpersonen 404
(a) Financiële tussenpersonen – functionele invulling 404
(b) Spanningsvelden inzake “beleggingsdiensten” en “beleggingsadvies” 405
(c) Besluit inzake het toepassingsgebied van art. 26 Wet Financieel Toezicht 407
3. Relevantie ten aanzien van de secundaire tussenpersonen 407
a. Regels inzake de toegang tot het beroep 407
b. Gedragsregels sensu stricto 408
c. Samengevat 408
4. Eerste spanningsveld tussen de publiekrechtelijke aard van de gedragsregels en de uitwerking ervan in een privaatrechtelijke verhouding tussen de secundaire tussenpersoon en de consument 408
a. Spanning publiekrechtelijke regels en privaatrechtelijke sfeer op het primaire niveau van de tussenpersonen 408
b. Spanning publiekrechtelijke regels en privaatrechtelijke sfeer op het secundaire niveau van de tussenpersonen 410
5. Tweede spanningsveld tussen “primaire“ én “secundaire” gedragsregels en de toepassing van de aansprakelijkheidsregels 412
a. Toepassing van de aansprakelijkheidsprincipes op de gedragsregels zoals opgenomen in de primaire gedragsregels 412
b. Antwoord van de rechtsleer: principe van de niet-gehoudenheid van de principaal/primaire tussenpersoon 412
(i) Het voorwerp van de vertegenwoordiging 413
(ii) Toepassing op de agent en de makelaar in het traditionele handelsrecht 414
(iii) Toepassing op de gedragsregels van art. 36 Wet Beleggingsondernemingen 415
(iv) Opmerkingen 416
(v) Wet Financiële Bemiddeling en de “oplossing” van het probleem van de doorwerking 418
c. Uitdrukkelijke opname van de verantwoordelijkheid van de principaal voor de door de agent en de makelaar gestelde handelingen luidens de Verzekeringsbemiddelingswet en de Wet Financiële Bemiddeling 418
(i) Samengevat 419
6. Derde spanningsveld: de toepassing van de Wet Handelspraktijken op de door de makelaar en agent verleende financiële diensten – toespitsing op het voorwerp van het onderzoek 419
Afdeling 2. Gedragsregels als voorbeeld van asymmetrie binnen de wetgeving 420
§ 1. Verschillende sectorele benaderingen door de wetgever leiden tot een asymmetrisch resultaat 420
§ 2. Voorbeelden en illustraties 421
1. “Intra-sectorele asymmetrie” 421
a. Gedragsregels in de beleggingsdienstensector – verschil tussen het primaire en het secundaire niveau 421
b. Gedragsregels binnen de verzekeringssector – opvallende asymmetrie met enige nuancering 423
(i) Principiële afwezigheid van bijzondere gedragsregels in vergelijking met de Verzekeringsbemiddelingswetgeving 423
(ii) Informatieplicht voorzien in de bestaande wetgeving 423
(a) Voorafgaandelijke informatieplicht in het Controlereglement 423
(b) Landverzekeringsovereenkomstenwet 424
(c) Bepalingen van de Controlewet 424
c. Gedragsregels in de sector van klassieke bankdiensten – de meest opvallende asymmetrie 425
(i) De beperkte onderwerping van kredietinstellingen aan gedragsregels – hun hoedanigheid als “beleggingsdienstenverstrekker” 425
(ii) Drie opvallende verschillen die hieruit voortvloeien 427
(a) Eerste verschil tussen agenten van kredietinstellingen in klassieke bankdienstenbemiddeling enerzijds en agenten van een beursvennootschap anderzijds 427
(b) Tweede verschil tussen de agent van een kredietinstelling in “bankbemiddeling” en de agent van een kredietinstelling in “beleggingsbemiddeling” 427
(c) Verschil tussen de agenten van kredietinstellingen en hun opdrachtgevers 427
(d) Kredietverlening – een eigen gedragscode onder de Wet op het Consumentenkrediet 428
(e) Verschil tussen de “bemiddeling in bankdiensten” volgens de Wet Financiële Bemiddeling en de “bemiddeling” volgens de CBF-Circulaire 428
2. Inter-sectorele asymmetrie: over de grenzen van de bank-, beleggings- en verzekeringssector heen 429
a. Gedragsregels voor beleggingsdienstenverstrekkers vs. afwezigheid van gedragscode t.a.v. verzekeringsondernemingen en kredietinstellingen 429
b. Agenten van beursvennootschappen vs. agenten van kredietinstellingen (klassieke bankdiensten) 430
c. Asymmetrie binnen het door de overheid uitgeoefende toezicht over de bank-, beleggings- en verzekeringsbemiddeling 430
(i) Verschil binnen het prudentieel toezicht op de primaire financiële instellingen 430
(ii) Verschil tussen het toezicht op primair niveau enerzijds en het secundair niveau anderzijds 431
(a) Verzekeringssector 431
(b) Bank- en beleggingsdienstensector 431
Afdeling 3. De gedragsregels als voorbeeld van “cross-sectorele” inspiratie 433
§ 1. De immatriculatie: kruisbestuiving vanuit de verzekeringssector naar de beleggingsdienstensector toe 433
§ 2. De gedragsreglementering: kruisbestuiving vanuit de beleggingsdienstensector naar de verzekeringssector toe 434
Besluit bij de Afdelingen 2 en 3 434
Afdeling 4. De informatieplicht van de agent en de makelaar 435
§ 1. Inleiding 435
1. Vindplaatsen 435
2. Doorwerking van de primaire gedragsregels op de secundaire tussenpersonen (agenten) 435
§ 2. Informatieplicht volgens de (gewijzigde) Verzekeringsbemiddelingswet 436
1. Technische analyse en inhoud van het nieuwe art. 12bis Verzekeringsbemiddelingswet 436
a. Summiere informatieplicht vóór de wet van 22 februari 2006 436
b. Fundamentele omwenteling in de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 437
(i) Technische analyse: artikel 12 Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 437
(a) Formele informatieplicht omtrent “banden met verzekeraars” 437
(b) De vernieuwing van de richtlijn - inhoudelijke informatieplicht 437
(ii) Besluit 439
c. De gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet d.d. 22 februari 2006 439
2. Vergelijking tussen de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling (en de Verzekeringsbemiddelingswet) en de Richtlijn Financiële Instrumenten 441
a. Art. 19, 3°, 4° en 5° Richtlijn Financiële Instrumenten 441
b. Verband en verschil met de benadering in de verzekeringssector 442
(i) Vanuit het standpunt van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 442
(ii) Ruimere vraagstelling 444
(iii) Vanuit het standpunt van de Richtlijn Financiële Instrumenten 445
(iv) “Good advice” in de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling – “het meest passende of geschikte product” in de Richtlijn Financiële Instrumenten 445
§ 3. Informatieplicht in de bank- en beleggingsdienstenbemiddeling - Vergelijking tussen de verschillende wetgevingen 447
1. Eerste invalshoek: de agent en de makelaar in bankdiensten 447
a. Een summiere informatieplicht onder de CBF-Circulaire 447
b. De informatieplicht in andere wetgevende bronnen 448
(i) Wet op het Consumentenkrediet 448
(a) Relevante bepalingen: de artikelen 10, 11 en 63 448
(b) Vergelijkingspunt: Gedragsregels – vergelijking met de Verzekeringsbemiddelingswet en de Richtlijn Financiële Instrumenten 450
(ii) De Wet Financiële Bemiddeling 451
(iii) Samenlezing van de verschillende bepalingen en hieruit voortvloeiende hypotheses 451
2. Tweede invalshoek: de agent en de makelaar in beleggingsdiensten 452
a. Informatieplicht luidens de CIF-Circulaire 92/1 452
b. Informatieplicht volgens de Wet Financiële Bemiddeling 454
§ 4. De informatieplicht van de financiële tussenpersonen en de bepalingen uit de Wet Handelspraktijken 454
1. De toepassing van de Wet Handelspraktijken in de financiële sector – toespitsing van de vraagstelling 454
a. Algemeen 454
b. De confrontatie tussen wetgevingen 455
c. Conflicterende wetgeving en voorrangsregeling in de drie sectoren van de financiële dienstverlening 457
d. Overzicht van de gestelde vragen 458
2. Toepassing van de Wet Handelspraktijken op de makelaars en agenten als “verkopers van financiële instrumenten” of “aanbieders van financiële diensten” 460
a. Vraagstelling 460
b. Toepassing op de makelaars en agenten binnen het verkopersbegrip – de “verkopers van financiële diensten” 460
c. Toepassing van de Wet Handelspraktijken op financiële diensten en financiële instrumenten 462
(i) Inleiding 462
(ii) Algemeen: het verschil tussen financiële instrumenten en financiële diensten – een moeilijk doch weinig relevant onderscheid in het kader van het onderzoek 462
(a) Instrumenten en diensten 462
(b) De oorspronkelijke uitdrukkelijke uitsluiting van financiële instrumenten, effecten en waarden uit het toepassingsgebied van de Wet Handelspraktijken 464
(c) Toepassing van de Wet Handelspraktijken op de makelaar en de agent in bank-, beleggings- en verzekeringsbemiddelingsdiensten 467
(d) Relevantie van de financiële instrumenten, effecten en waarden voor de makelaar en de agent 468
3. De informatieplicht als gedragsregel 468
a. Algemeen 468
(i) Toepassing van de regel en zijn beperkingen 469
(ii) Afdwingbaarheid en vordering tot staking 470
(a) Een schending van de informatieplicht m.b.t. financiële instrumenten, effecten of waarden 470
(b) Toepassingsvoorwaarden voor de vordering tot staking 471
b. Korte vermelding van de bepaling inzake vergelijkende reclame (art. 23bis Wet Handelspraktijken), het gezamenlijk aanbod en de onrechtmatige bedingen 475
(i) Bijzondere toepassing van art. 23bis Wet Handelspraktijken 476
(ii) Prijsaanduiding 477
(iii) Onrechtmatige bedingen en gezamenlijk aanbod 477
(a) Onrechtmatige bedingen 477
(b) Gezamenlijk aanbod 478
4. Vordering tot staking luidens de Wet Handelspraktijken 479
5. Administratieve sancties van de toezichthouder 479
6. Afdwinging van het algemeen verbintenissenrecht en toepassing van art. 1382 B.W. 480
7. Incoherentie binnen de wetgeving inzake het toezicht over de reclame 480
Afdeling 5. “Cash-handling” door makelaars en agenten in de bank-, beleggings- en verzekeringssector 481
§ 1. Inleiding: Probleemstelling en bronnen 481
§ 2. Regeling zoals door de thans geldende richtlijnen voorzien – art. 2, 7° Richtlijn Verzekeringsbemiddeling en 23, 2°, tweede lid Richtlijn Financiële Instrumenten 482
1. Richtlijn Verzekeringsbemiddeling : principieel verbod tot cash handling voor de verbonden verzekeringstussenpersoon 482
2. Richtlijn Financiële Instrumenten – principiële mogelijkheid tot cash handling voor de verbonden agenten 483
§ 3. Bank- en beleggingsdienstenbemiddeling – regeling van de Wet Financiële Bemiddeling 484
1. Het debat in de Studie Financiële Bemiddeling en het Advies van de Commissie voor Verzekeringen 484
2. Cash handling in het “Wetsvoorstel inzake bemiddeling in bankzaken en de distributie van financiële instrumenten” – Behandeling in de Parlementaire Commissie 485
a. Opvallende afwezigheid van de problematiek in het oorspronkelijke “wetsvoorstel Willems” 485
b. Bank- en beleggingsdienstensector - discussie in het parlement – verhelderende uiteenzetting 485
c. Voorwaarden tot toelating van cash handling – toezicht van de lastgevende opdrachtgever 487
3. Resultaat in de Wet Financiële Bemiddeling 488
a. Toelating tot cash handling voor de “agent” – verbod voor de “makelaar” 488
b. Versoepeling in vergelijking met Studie Financiële Bemiddeling 489
§ 4. De gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet 489
1. Gebruiken rond “premie-inning” door verzekeringstussenpersonen 489
2. Discussie naar aanleiding van de Studie Financiële Bemiddeling binnen de Commissie voor Verzekeringen 490
a. Standpunt verzekeraars 490
b. Standpunt verzekeringstussenpersonen 491
c. Standpunt verbruikers 491
§ 5. Cumul van hoedanigheden en gevolgen voor de cash handling 492
1. Omzendbrief CBF 492
a. Stelling CBF 492
b. Bemerkingen inzake het CBF-standpunt 493
2. Cumul in de Wet Financiële Bemiddeling en de cash handling 494
a. Verslag van de Werkgroep Financiële Intermediatie binnen de Raad van Toezicht van de Overheid der Financiële Diensten 494
b. De regeling zoals opgenomen in de Wet Financiële Bemiddeling 494
Afdeling 6. Besluit 495
§ 1. Dubbele invalshoek van het onderzoek van de gedragsreglementering 495
1. Centrale aandacht voor gedragsreglementering sensu stricto 496
2. Keuze van de “informatieplicht” enerzijds en de “cash handling” anderzijds 497
§ 2. Omtrent de informatieplicht 497
a. Interessante asymmetrieën 497
(i) Asymmetrie op primair niveau – Beleggingsdienstenverstrekkers vs. verzekeringsondernemingen en kredietinstellingen 498
(ii) Asymmetrie op secundair niveau – Agenten in beleggingsdiensten vs. agenten in bankdiensten 498
(iii) Asymmetrie in het toezicht en de uitoefening van de controle 498
b. Informatieplicht van de secundaire tussenpersoon – de makelaar en de agent in de onderscheiden recente reglementeringen 499
(i) Doorwerking van de primaire gedragsregels naar de secundaire tussenpersonen 499
(ii) Eigen gedragsregels van de secundaire tussenpersonen 499
(a) Verschillen tussen de wetgeving: de Wet Financiële Bemiddeling en de Verzekeringsbemiddelingswet 499
(b) Samengevat 500
(c) Vraag naar de wetgever – Verstrenging sommige regels voor “levensverzekeringstussenpersonen” en voor agenten en makelaars in bank- en beleggingsdiensten? 501
(d) Bijkomende opmerking inzake de kredietagent 502
§ 3. Omtrent de cash handling en de cumul - toepassingsgevallen 502
1. Algemeen : een verschillende regeling bij cumul met verzekeringsbemiddelingsactiviteit 502
2. Drie concrete gevallen 503
a. Zuivere verzekeringstussenpersoon 503
b. Makelaar in bank- en beleggingsdiensten als verzekeringstussenpersoon 503
c. Exclusieve agent in bank- en beleggingsdiensten als verzekeringstussenpersoon 503
HOOFDSTUK 3. Nederlandse Wet Financiële Dienstverlening – Een inspirerend vergelijksmodel 506
Afdeling 1. Uitgangspunt van de vergelijking 506
§ 1. Terugblik op voorgaande hoofdstukken 506
§ 2. Aandachtspunten van de Wet Financiële Dienstverlening 506
Afdeling 2. Achtergrond en geest van de Wet Financiële Dienstverlening 507
§ 1. De Nederlandse “globale aanpak” van de financiële dienstverlening 507
1. Algemene opmerkingen 507
2. “Maritieme” traditie vs. “Alpijnse” traditie 508
a. Onderscheid tussen Lidstaten met enerzijds een intense en anderzijds een beperkte regelgevingscultuur m.b.t. de tussenpersoon 508
b. Kenmerken van de maritieme en de alpijnse cultuur 509
3. Achtergrond van de Wet Financiële Dienstverlening 511
a. Een “totale” aanpak 511
(i) Financiële dienstverlening sensu lato -Integratie van de PVK en DNB 511
(ii) Vervaging van de grenzen tussen de “sectorele” producten 512
(iii) Feitelijke ontwikkelingen 513
(iv) Nederlandse techniek tot regulering – productoriëntatie en cross sectorele aanpak vs. activiteitenoriëntatie en distributieconsistentie 513
(v) Informatie-asymmetrie tussen de consument en de aanbieders/bemiddelaars van/in financiële diensten 515
(vi) Dubbele doelstelling – bescherming van de consument middels de gedragsregels 515
b. Gevolgen van de informatie-asymmetrie – het recht van de consument op een “dubbele informatie” 516
(i) Basisprincipe 516
(ii) Gevolgen voor de inhoud van het geleverde advies 517
§ 2. Toepassingsgebied ratione personae en ratione materiae 517
1. Algemeen: “alle financiële diensten, producten en aanbieders of bemiddelaars” in cascade 517
2. Welke primaire en secundaire tussenpersonen ressorteren onder de Wet Financiële Dienstverlening? 518
3. Concrete “financiële diensten” 519
a. Aanbieden 519
b. Bemiddeling of de activiteit van de “bemiddelaar” 520
(i) Definitie van bemiddeling en het probleem van de congruentie met de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling 520
(ii) Bemiddeling en de assistentie bij het beheer en de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst 520
(iii) Advies of de activiteit van de adviseur: een verschillende invulling in functie van de combinatie met een bemiddelingsactiviteit 521
(a) Algemeen 521
(b) Onderscheid tussen bemiddelen en adviseren 522
4. “Financiële producten” 523
§ 3. Situering van de Wet Financiële Dienstverlening binnen een ruimer wetgevend kader 525
1. De Wet Financiële Dienstverlening is een publiekrechtelijke wet 525
2. Gevolgen voor de privaatrechtelijke handhaving door de consument 526
a. Plaatsing van privaatrechtelijke regels in een publiekrechtelijke toezichtswet? 526
b. Gevolgen voor de handhaving van de zorgplicht uit de Wet Financiële Dienstverlening 527
c. Vergelijking met de Belgische Wet Financiële Bemiddeling en de daarin voorziene handhaving 527
§ 4. Vergelijking met de aanbieders en tussenpersonen in de Belgische reglementering - versnippering 528
1. Algemeen – verschillende vindplaatsen van gedragsreglementering 528
2. Verzekeringssector 529
3. Bank- en beleggingsdienstensector 529
a. “Primaire” gedragsregels ten aanzien van “primaire” tussenpersonen 529
b. “Secundaire” gedragsregels ten aanzien van “secundaire” tussenpersonen 530
Afdeling 3. Juridisch-technische aspecten van de Wet Financiële Dienstverlening 530
§ 1. Aangewende terminologie en vergelijking met de Belgische “makelaar” en “agent” in de nieuwe wetgeving 531
1. Terminologisch onderscheid binnen de categorie van de secundaire tussenpersonen: soorten zelfstandige tussenpersonen 531
2. Opdrachten van de respectievelijke tussenpersonen 531
a. “Gevolmachtigde agent” en “bemiddelaar” 531
b. Verbonden bemiddelaar – exclusieve makelaar naar Belgisch recht? 533
c. Omtrent de bemiddelaar en de verbonden bemiddelaar – gelijkenis met de Belgische “tegenhangers” 534
d. Besluit 536
e. Standpunt vanuit de verzekeringssector: 537
§ 2. Regeling van de toegang tot het beroep en de gedragsregels onder de vorm van een informatieplicht 539
1. Algemene kenmerken van de Belgische wetgeving in een notendop 539
a. De doorbraak in de Wet Financiële Bemiddeling 539
b. De Belgische gewijzigde Verzekeringsbemiddelingswet en de puntjes van kritiek 540
c. Sectoroverschrijdend: onvoldoende verduidelijking voor de consument 540
d. Pleidooi voor een Belgische integratie van de regelgeving inzake de tussenpersoon over de sectoren heen 541
2. Registratie- en informatieplicht onder de Wet Financiële Dienstverlening 542
a. Registratie – verband met de naleving van de gedragsregels sensu stricto 542
b. Informatieplicht onder de Wet Financiële Dienstverlening als onderdeel van de “zorgplicht” 543
c. Concrete bepalingen inzake het advies 544
(i) Inzake het advies (art. 32, eerste en tweede lid) en de uitsluiting van bepaalde “eenvoudige producten” 544
(a) De complexiteit van het product bepaalt het advies 544
(b) Twee opmerkingen 545
(ii) Adviesplicht beoogt een “good advice” en geen “best advice” 546
(a) Algemeen 546
(b) Vergelijking met de Belgische Verzekeringsbemiddelingswet 546
(iii) Vermoeden van advies door de financiële dienstverlener - beperking van de verantwoordelijkheid van de dienstverlener bij afwezigheid van advies 546
(a) Vermoeden van advies tenzij het tegendeel wordt kenbaar gemaakt 546
(b) Gevolgen voor de bemiddelaar of aanbieder in geval van “zonder advies” 547
(c) Kritiek en argumentatie van J.H. WANSINK 547
(d) Aanzet tot Belgische verfijning? 549
d. Andere bepalingen – de productinformatie - de verhouding tussen de tussenpersoon en de aanbieder 549
(i) Productinformatie in functie van de “gemiddelde consument” 549
(ii) Verbondenheid van de tussenpersoon 550
3. Cash handling onder de Wet Financiële Dienstverlening 550
a. Belgische aanpak 550
b. Wet Financiële Dienstverlening 551
§ 3. Toerekening van de handelingen van de tussenpersoon aan de aanbieder – (art. 45-46 Wet Financiële Dienstverlening) 551
1. Principe volgens de Wet Financiële Dienstverlening 551
2. Quid voor de bemiddelaars? 552
3. Kanttekeningen 553
§ 4. Afdwingbaarheid en burgerrechtelijke en administratiefrechtelijke sancties 554
1. Terugblik op het Belgisch systeem 554
a. Publiekrechtelijke regeling 554
b. Privaatrechtelijke handhaving 554
c. Bijzonder probleem van de toepassing van de primaire gedragsregels op secundaire tussenpersonen – de doorwerking van art. 36 Wet Beleggingsondernemingen 556
2. Afdwingbaarheid van de Nederlandse Wet Financiële Dienstverlening 556
Afdeling 4. Evaluatie zorgplicht en punten van kritiek vanuit de Nederlandse rechtsleer 557
§ 1. Alomvattend spectrum van de wet 557
§ 2. Benoemde tussenpersonen 557
§ 3. Ruime verantwoordelijkheid van de aanbieder van financiële diensten 558
§ 4. Onderscheid tussen bemiddeling en advies? 559
§ 5. Confrontatie tussen bestuursnorm van gedragsregels en privaatrechtelijke handhaving 559
HOOFDSTUK 4. Bevindingen en besluit 561
§ 1. het “wat”, “hoe” en “waarom” van het onderzoek 561
§ 2. evaluatie van de makelaar en agent in een compacte, drievoudige stelling 561
1. Makelaar en agent in hun eigenheid bedreigd of handelend in een complexe meervoudige hoedanigheid – de feitelijke complexiteit 561
2. Makelaar en agent als “a-typische tussenpersonen” –complexiteit en verscheidenheid van het reglementair kader 563
a. Nood aan een reglementair “framework” 563
b. Confrontatie van wetgevingen en juridisch-technisch besluit 564
(i) Vergelijking tussen makelaar en agent in bank- en beleggingsdiensten 564
(ii) Vergelijking met de verzekeringsmakelaar en verzekeringsagent 565
(iii) Sectoroverschrijdende vergelijking 565
c. Paradoxale conclusie? 566
3. Metamorfose van de agent en de makelaar – belang van de “eigen” gedragsregels 567
§ 3. Beleidsmatige beschouwingen en uitdaging voor de wetgever 567
1. Cultuurwijziging of “horizontalisering” binnen de financiële dienstverlening 567
2. Uitdagingen voor de wetgever 569
a. Vereenvoudigde kwalificatie van “secundaire financiële tussenpersonen” 569
b. Eenduidige gedragsreglementering en belang van het profielonderzoek 569
c. Opheffing van de asymmetrie binnen de gedragsreglementering 570
3. De tussenpersoon als “adviesverlener” – toenemend belang van de makelarij 571
4. Belang van het “profielonderzoek” – naar een nieuwe (onafhankelijke) tussenpersoon in financiële diensten? 572
a. BIBLIOGRAFIE 574
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Centre for Risk and Insurance Studies (-)
Research Unit Economic Law - miscellaneous
Institute for Insurance Law

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
eyskens.pdf Published 3648KbAdobe PDFView/Open

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.