ITEM METADATA RECORD
Title: Intergenerationele overdracht van gehechtheid bij Belgische moeders en kinderen die in extreme armoede leven : een meervoudige gevalsstudie
Authors: Geenen, Margareta
Issue Date: 6-Jun-2007
Abstract: In dit proefschrift onderzoeken we aspecten van gehechtheid bij Belgische generatiearmen met gehechtheidstheorie, psychoanalyse en onderzoek over lage socio-economische status (SES) als referentiekaders.
Rationale en opzet van het onderzoek worden toegelicht in hoofdstuk 1. Ondanks talrijke interventies vanuit verschillende disciplines, blijken de vele problemen bij generatiearmen van generatie op generatie te worden overgedragen in een haast ondoorbreekbare keten. Hoewel het negatief en cumulatief effect van armoede op de psychische ontwikkeling van een kind (bijv. cognitieve en socio-emotionele vertraging) ruim gedocumenteerd is, zijn de psychologische componenten van de transgenerationele iteratie van problemen, geassocieerd met leven in extreme armoede, weinig onderzocht. Onze studie belicht één psychologisch aspect van de herhaling: transmissie van gehechtheid van moeder op kind en enkele mediërende factoren hiervan, nl. moederlijke sensitiviteit, mentalisatie en kwaliteit van objectrepresentaties. Aanvullend wordt aandacht besteed aan het algemeen functioneren van het kind. De verschillende elementen van de onderzoeksvraag worden onderzocht in zeven hypothesen, geformuleerd op basis van de referentiekaders. Het doctoraatsproject is opgevat als een meervoudige gevalsstudie (N=12) waarin de hypothesen getoetst worden m.b.v. replicatielogica. Een casus bestaat uit een moeder en haar 1- tot 3-jarig kind. De dyades worden voorgesteld in hoofdstuk 2. Moeder en kind zijn meermaals thuis bezocht. Onderzoeksmethodologie bestaat uit interviews, observaties (in vivo en video) en vragenlijsten. ‘Adult Attachment Interview’ (AAI, Main & Goldwyn, 1984; Main, Goldwyn & Hesse, 2002) en ‘Attachment Q-sort’ (AQS, Waters & Deane, 1985) bepalen de gehechtheidskwaliteit bij moeder en kind. Maternele sensitiviteit wordt ingeschat met de ‘Emotional Availability Scales’ (EAS, Biringen, Robinson & Emde, 1998). ‘Reflective Functioning Scale’ (RF, Fonagy, Target, Steele & Steele, 1998), toegepast op AAI, meet de capaciteit tot mentaliseren. Objectrelationele kwaliteit wordt geëvalueerd met de ‘Differentiation-Relatedness Scale’ (D-R, Diamond, Blatt, Stayner & Kaslow, 1991) op de ‘Object Relations Inventory’ (ORI, Blatt, Chevron, Quinlan & Wein, 1981). De ‘Child Behavior Checklist 1½-5’ en de ‘Caregiver-Teacher Report Form 1½-5’ (Achenbach & Rescorla, 2000) belichten het algemeen functioneren van het kind.
Overeenkomstig hypothese 1, zijn bij de moeders onveilige gehechtheidsstrategieën over- en veilige ondervertegenwoordigd (hoofdstuk 3). De tendens is sterker dan in andere lage SES groepen. Niet alleen zijn elf op twaalf moeders onveilig gehecht; ook zijn vooral de meest ‘ernstige’ onveilige types (U-CC) toegekend. Het voorkomen van een veilige gehechtheidsrepresentatie bij één moeder kan in verband gebracht worden met elementen uit haar levensloop. Hypothese 2, die bij de kinderen vooral onveilige gehechtheidspatronen verwacht, wordt bevestigd (hoofdstuk 4). Ook hier is de onveilige tendens sterk aanwezig (tien op twaalf kinderen) en zijn veiligheidsscores extreem laag, wat op erg onveilig gehechtheidsgedrag wijst. Een gunstige ontwikkeling van het kind is daardoor gehypothekeerd. In overeenstemming met hypothese 3 is er een grote overeenkomst in gehechtheid bij moeder en kind (hoofdstuk 4). Conform hypothese 4 tonen de EAS bij moeder een (zeer) zwak sensitief vermogen t.a.v. het kind (hoofdstuk 5). Bij elf op twaalf is therapeutisch interveniëren aangewezen: de ontwikkeling van de kinderen staat onder druk. EAS scores van zeven moeders zijn zeldzaam laag, met weinig perspectief op verandering. Kinderen scoren in de EAS opvallend beter dan moeders: vier kinderen t.o.v. één moeder stijgen uit boven gemiddeld niveau qua emotionele beschikbaarheid. Hypothese 5 over een verwacht zwak vermogen tot mentaliseren, wordt bevestigd, m.u.v. de veilig gehechte moeder bij wie de het niet opgaan van de hypothese verstaan wordt vanuit haar levensloop (hoofdstuk 6). De capaciteit tot RF van de overgrote meerderheid van moeders (tien op twaalf) bevindt zich onder gemiddeld niveau; een kleine helft vertoont zelfs afwezigheid van RF. Hypothese 6 verwacht een laag niveau van differentiatie tussen zelf en ander én een weinig ontwikkeld vermogen tot interpersoonlijke verbondenheid (hoofdstuk 7). Ook deze wordt weerhouden, tenzij bij de veilig gehechte moeder bij wie de levensloop redenen aanreikt voor het niet opgaan ervan. Hoewel hypothese 7 die gedragsproblemen onderstelt bij het kind, niet in elke casus bevestigd wordt, liggen de resultaten sterk in de lijn van de verwachting (hoofdstuk 8): tien op twaalf kinderen (83 %) t.o.v. 17 % in de normgroep vertonen afwijkend gedrag volgens tenminste één beoordelaar. Toch zijn er ook kinderen die volgens de beoordelaars geen deviant gedrag stellen. Net zoals bij AQS en EAS vinden we hier bij enige kinderen elementen van veerkracht.
Concluderend (hoofdstuk 9) wijzen de tekorten in onderzochte domeinen bij bijna alle moeders en kinderen op een sterke kwetsbaarheid die vraagt om intensieve begeleiding van moeder én kind in lang-termijn- en interactioneel perspectief, op maat van elke dyade. Gezien het representationeel vermogen (RF en D-R) eerder dan de gedragsmatige sensitiviteit van moeder de gehechtheidskwaliteit van het kind lijkt te bepalen, is het belangrijker de moeder te leren reflecteren over gedrag dan te focussen op verandering van gedrag alleen. Wat het kind betreft, nodigt de detectie van ontwikkelingsrisico’s op zo jonge leeftijd uit tot vroeg interveniëren: de beginfase van de ontwikkeling is erg plastisch, biedt talrijke wegen tot verandering. Wel vertonen kinderen, ondanks hun risicocontext, blijkbaar meer mogelijkheden dan hun moeders. Doel van begeleiden van kind is dus of preventief of curatief. Preventie is extra belangrijk, gezien het cumulatieve effect van armoede op ontwikkeling. Verder is zowel bij moeder als kind continuïteit in hulpverlening van betekenis. De ‘sterkere’ moeders van de groep kennen als enige, ondanks variabele leefomstandigheden, een constante significante ander: een langdurige goede band blijkt protectief en dient ook nagestreefd in hulpverlening. Kernwoorden voor beleidsmaatregelen zijn: vroeg begin, ‘relationship-based’, curatief én preventief, langdurig en intensief, continuïteit, representatie als essentiële invalspoort voor interventie, begeleiding aan huis, zorgverlening op maat, belang van sociaal netwerk, oog voor specifieke cultuur, erkenning van kwetsbaarheden én sterktes. Voor dit laatste dienen specifieke instrumenten ontwikkeld waardoor in deze groep meer variatie en naast aanwezige zwaktes ook meer sterktes kunnen onderkend worden dan met onze op middenklasse genormeerde instrumenten.
Table of Contents: 1 GENERAL INTRODUCTION 7
1.1 RESEARCH ON EXTREME POVERTY IN THE CENTER FOR PSYCHOANALYSIS AND PSYCHODYNAMIC PSYCHOLOGY 7
1.2 MULTIRISKS AND LOW SOCIOECONOMIC STATUS 8
1.2.1 Conceptual framework of developmental psychopathology 8
1.2.2 Major risk and protective factors within early development with links to social inequalities 9
1.2.2.1 Biological factors 9
1.2.2.2 Family and social factors 9
1.2.2.3 The quality of parenting 10
1.2.2.4 The quality of attachment 11
1.2.2.5 Conclusion: A focus on relationships 13
1.3 INTERGENERATIONAL TRANSMISSION OF ATTACHMENT (ATTACHMENT THEORY PERSPECTIVE) 13
1.4 (MATERNAL) REPRESENTATIONS (PSYCHOANALYTIC PERSPECTIVE) 15
1.5 PH D STUDY ‘INTERGENERATIONAL TRANSMISSION OF ATTACHMENT IN A BELGIAN POPULATION OF EXTREME POVERTY’ 19
1.5.1 General remarks on the population 19
1.5.2 Research design 22
1.5.2.1 Research focus 22
1.5.2.2 Purpose of the study 22
1.5.2.3 Required information 23
1.5.2.4 Research strategy 24
1.5.3 Criteria - Hypotheses 27
1.5.4 Data collection procedure 28
1.5.5 Research instruments 29
1.5.6 Data processing and analysis 31
1.5.6.1 Data processing 31
1.5.6.2 Analysis 32
1.5.7 There is a world outside this window: about inevitable limits of a necessary delimitation 32
2 VOORSTELLING VAN DE CASUSSEN 35
2.1 AMANDA EN PRISCILLA 36
2.2 ANGELA EN NABIL 38
2.3 ANJA EN SHAKIRA 41
2.4 ASHLEY EN GIANI 44
2.5 KELLY EN CHIARA 46
2.6 KIMBERLY EN KYLIE 49
2.7 LESLEY EN JORDY 52
2.8 MIRANDA EN NOURIA 55
2.9 NANCY EN EEFJE 57
2.10 PEGGY EN LARISSA 61
2.11 SANDRA EN XANDY 63
2.12 SYLVIE EN JOYCE 66
2.13 KORTE EINDBESCHOUWING 69
3 GEHECHTHEIDSREPRESENTATIE VAN MOEDER (AAI) 71
3.1 THEORETISCHE TOELICHTING: HET ‘ADULT ATTACHMENT INTERVIEW’ (AAI) 71
3.1.1 Inhoud en doel 71
3.1.2 Afname en transcriptie 72
3.1.3 Analyseprocedure volgens Main (Main et al., 2002) 72
3.1.4 Beschrijving van de verschillende categorieën 74
3.1.5 Categorie versus proces 76
3.1.6 Betekenis van onveilige gehechtheid voor de levenskwaliteit 77
3.1.7 Verwerven van deskundigheid in het coderen van het ‘Adult Attachment Interview’ 79
3.2 CASUSBESPREKING 80
3.2.1 Gedesorganiseerde ‘state of mind’ ten aanzien van gehechtheid (U) 81
3.2.1.1 KIMBERLY 81
3.2.1.2 SYLVIE 93
3.2.1.3 ANGELA 105
3.2.1.4 ANJA 106
3.2.1.5 LESLEY 107
3.2.1.6 AMANDA 108
3.2.2 Gereserveerde ‘state of mind’ ten aanzien van gehechtheid (F) 109
3.2.2.1 ASHLEY 109
3.2.2.2 MIRANDA 114
3.2.2.3 KELLY 115
3.2.2.4 SANDRA 116
3.2.3 Niet te classificeren ‘state of mind’ ten aanzien van gehechtheid (CC) 117
3.2.3.1 PEGGY 117
3.2.4 Veilig-autonome ‘state of mind’ ten aanzien van gehechtheid (F) 118
3.2.4.1 NANCY 118
3.3 ALGEMEEN BESLUIT 131
3.3.1 De twaalf classificaties in zijn geheel 131
3.3.2 Het proces binnen elke categorie 133
3.3.3 Verleden, heden en weinig toekomst 135
3.3.4 Betekenis van de aanwezigheid van de voornamelijk onveilige gehechtheidsrepresentaties in deze groep 140
4 KWALITEIT VAN GEHECHTHEID VAN KIND (AQS) 141
4.1 THEORETISCHE TOELICHTING: HET METEN VAN HET GEHECHTHEIDSGEDRAG VAN HET KIND DOOR MIDDEL VAN DE ‘ATTACHMENT Q-SORT’ (AQS) 141
4.1.1 Gehechtheidsgedrag bij het jonge kind 141
4.1.1.1 ‘Strange Situation Procedure’ 141
4.1.1.2 ‘Attachment Q-Sort’ (AQS) 143
4.1.1.3 ‘Strange Situation Procedure’ versus ‘Attachment Q-Sort’ (AQS) 144
4.1.1.4 Onze keuze voor AQS als onderzoeksinstrument 145
4.1.2 Analyseprocedure van de AQS volgens Waters 146
4.1.3 Gehechtheid en sensitiviteit 146
4.1.4 Betekenis van onveilige gehechtheid voor de loop van de ontwikkeling 147
4.1.5 Training ‘Attachment Q-Sort’ 148
4.2 CASUSBESPREKING 148
4.2.1 GIANI, zoon van ASHLEY 149
4.2.2 NABIL, zoon van ANGELA 150
4.2.3 SHAKIRA, dochter van ANJA 152
4.2.4 KYLIE, dochter van KIMBERLY 153
4.2.5 JOYCE, dochter van SYLVIE 155
4.2.6 EEFJE, dochter van NANCY 156
4.2.7 NOURIA, dochter van MIRANDA 158
4.2.8 CHIARA, dochter van KELLY 159
4.2.9 PRISCILLA, dochter van AMANDA 160
4.2.10 XANDY, dochter van SANDRA 162
4.2.11 JORDY, zoon van LESLEY 164
4.2.12 LARISSA, dochter van PEGGY 165
4.3 ALGEMEEN BESLUIT 167
4.3.1 De twaalf AQS veiligheidsscores in zijn geheel 167
4.3.2 Gehechtheid bij kind en moeder: het intergenerationeel perspectief 169
4.3.3 Betekenis van de aanwezigheid van de voornamelijk lage AQS veiligheidsscores in deze groep 173
5 SENSITIVITEIT EN EMOTIONELE BESCHIKBAARHEID (EAS) 175
5.1 THEORETISCHE TOELICHTING: SENSITIVITEIT EN DE ‘EMOTIONAL AVAILABILITY SCALES’ (EAS) 175
5.1.1 Ouderlijke sensitiviteit en emotionele beschikbaarheid 175
5.1.1.1 Sensitiviteit 175
5.1.1.2 Emotionele beschikbaarheid 176
5.1.1.3 Sensitiviteit versus emotionele beschikbaarheid 177
5.1.2 Sensitiviteit en gehechtheid 178
5.1.3 Sensitiviteit en lage SES 180
5.1.4 EAS en gender 180
5.1.5 Het belang van emotionele beschikbaarheid voor de verdere ontwikkeling 181
5.1.6 De ‘Emotional Availability Scales’ (EAS), derde editie: opzet en toepassingsgebieden 181
5.1.7 Analyseprocedure en interbeoordelaarsbetrouwbaarheid 183
5.1.7.1 Materiaal: video-observaties van ouder-kind interacties 183
5.1.7.2 Het analyseren van het materiaal volgens de EAS 184
5.2 CASUSBESPREKING 185
5.2.1 AMANDA en PRISCILLA 186
5.2.2 ANGELA en NABIL 190
5.2.3 ANJA en SHAKIRA 193
5.2.4 ASHLEY en GIANI 195
5.2.5 KELLY en CHIARA 198
5.2.6 KIMBERLY EN KYLIE 201
5.2.7 LESLEY en JORDY 205
5.2.8 MIRANDA en NOURIA 207
5.2.9 NANCY en EEFJE 210
5.2.10 PEGGY en LARISSA 215
5.2.11 SANDRA en XANDY 219
5.2.12 SYLVIE en JOYCE 223
5.3 ALGEMEEN BESLUIT 227
5.3.1 De twaalf scores in zijn geheel 227
5.3.2 EAS en gehechtheid 234
5.3.2.1 Sensitiviteit volgens de EAS en AAI classificatie 234
5.3.2.2 Sensitiviteit volgens de EAS en AQS 236
5.3.2.3 Responsiviteit van kind op ouder volgens de EAS en AQS 238
5.3.3 Jongens versus meisjes 238
5.3.4 Betekenis van de aanwezigheid van de voornamelijk lage EAS scores in deze onderzoeksgroep 239
5.3.5 Samen spelen is moeilijk in deze groep 240
5.3.6 Mogelijkheden en beperkingen in het gebruik van EAS, ook in klinische settings 242
6 REFLECTIEVE FUNCTIE VAN MOEDER (RF) 245
6.1 THEORETISCHE TOELICHTING: MENTALISATIE EN ‘REFLECTIVE FUNCTIONING’ 245
6.1.1 Definitie en achtergrond 245
6.1.2 Ontwikkeling 246
6.1.3 Functie 248
6.1.4 ‘Reflective Functioning Scale’ 249
6.1.5 Analyseprocedure volgens Fonagy 251
6.1.6 Betrouwbaar coderen van de RF schaal 251
6.1.7 RF en gehechtheidsrepresentatie 252
6.1.8 Tot slot: oog voor enige dynamiek achter een statische RF score 253
6.2 CASUSBESPREKING 254
6.2.1 RF score 1 254
6.2.1.1 KELLY 254
6.2.2 RF score 2 255
6.2.2.1 ASHLEY 255
6.2.2.2 ANJA 258
6.2.2.3 MIRANDA 258
6.2.2.4 LESLEY 258
6.2.3 RF score 3 259
6.2.3.1 SYLVIE 259
6.2.4 RF score 4 263
6.2.4.1 ANGELA 263
6.2.4.2 AMANDA 264
6.2.4.3 PEGGY 264
6.2.4.4 SANDRA 265
6.2.5 RF score 5 265
6.2.5.1 KIMBERLY 265
6.2.6 RF score 7 270
6.2.6.1 NANCY 270
6.3 ALGEMEEN BESLUIT 274
6.3.1 De twaalf RF scores in zijn geheel 275
6.3.2 RF en gehechtheidsrepresentatie 278
6.3.2.1 RF en AAI classificatie 278
6.3.2.2 RF en de AAI schalen voor ‘COHERENCE’ 280
6.3.2.3 RF en de AAI schaal ‘metacognitive monitoring’ 280
6.3.2.4 De dynamische visie van Slade op gehechtheid 281
6.3.2.5 RF van moeder en gehechtheidsgedrag van kind 283
6.3.3 RF en sensitiviteit 284
6.3.3.1 RF en sensitiviteit van moeder 284
6.3.3.2 Sensitiviteit van moeder en het ontstaan van RF bij het kind 287
6.3.4 Representatie versus gedrag: RF als protectieve factor 288
6.3.5 Betekenis van de aanwezigheid van de voornamelijk lage RF scores in deze onderzoeksgroep: een gebrek aan ‘resilience’ 292
6.3.6 Mogelijkheden en beperkingen in het gebruik van de RF schaal in klinische settings 293
7 OBJECTRELATIONEEL NIVEAU VAN MOEDER (D-R) 295
7.1 THEORETISCHE TOELICHTING: REPRESENTATIES IN DE OBJECTRELATIONELE THEORIE: HET GEBRUIK VAN DE ‘DIFFERENTIATION-RELATEDNESS SCALE’ (D-R) ALS MAAT VOOR HET NIVEAU VAN OBJECTREPRESENTATIES 295
7.1.1 De concepten mentale representatie en ‘Differentiation-Relatedness’ 295
7.1.2 Functie 298
7.1.3 Ontwikkeling 298
7.1.4 De ‘Differentiation-Relatedness Scale’ (D-R) op de ‘Object Relations Inventory’ (ORI) 299
7.1.5 Afname van de ‘Object Relations Inventory’ (ORI) en analyseprocedure van de ‘D-R Scale’ 302
7.1.6 Objectrelaties en gehechtheid 302
7.1.7 ‘Differentiation-Relatedness’ (D-R) en Reflective Functioning (RF) 306
7.1.8 Verwerven van deskundigheid in het coderen van de ‘D-R Scale’ op de ‘Object Relations Inventory’ 307
7.2 CASUSBESPREKING 307
7.2.1 D-R bereik 4-5 308
7.2.1.1 ASHLEY 308
7.2.1.2 ANJA 310
7.2.1.3 KELLY 311
7.2.1.4 LESLEY 311
7.2.2 D-R bereik 5 312
7.2.2.1 ANGELA 312
7.2.2.2 MIRANDA 314
7.2.2.3 PEGGY 315
7.2.2.4 SANDRA 315
7.2.3 D-R bereik 4-5-6 316
7.2.3.1 SYLVIE 316
7.2.3.2 AMANDA 319
7.2.4 D-R bereik 5-6 320
7.2.4.1 KIMBERLY 320
7.2.5 D-R bereik 8-7-6-4 323
7.2.5.1 NANCY 323
7.3 ALGEMEEN BESLUIT 330
7.3.1 De D-R scores van de twaalf moeders 330
7.3.2 D-R en RF 334
7.3.3 D-R en gehechtheid 336
7.3.3.1 D-R en AAI classificatie 336
7.3.3.2 D-R van moeder en gehechtheidsgedrag van kind 337
7.3.4 D-R en sensitiviteit van moeder 340
7.3.5 Betekenis van de aanwezigheid van de voornamelijk lage D-R scores in deze onderzoeksgroep 342
7.3.6 Verhogen van D-R door middel van therapeutisch interveniëren 345
7.3.7 Beperkt tijdsbesef in AAI en niveau van objectrepresentaties 346
8 ALGEMEEN FUNCTIONEREN VAN KIND (CBCL 1½ - 5 & C-TRF 1½ - 5) 347
8.1 HET METEN VAN HET ALGEMEEN FUNCTIONEREN VAN HET KIND MET BEHULP VAN DE ‘CHILD BEHAVIOR CHECKLIST 1½ - 5’ (CBCL 1½ - 5) EN DE ‘CAREGIVER-TEACHER REPORT FORM 1½ - 5’ (C-TRF 1½ - 5): ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE INSTRUMENTEN 347
8.1.1 De instrumenten CBCL 1½ - 5 en C-TRF 1½ - 5 347
8.1.1.1 CBCL 1½ - 5 347
8.1.1.2 C-TRF 1½ - 5 350
8.1.2 Verloop van de afnames in ons onderzoek 351
8.1.3 Mogelijkheden en beperkingen van de instrumenten CBCL 1½-5 en de C-TRF 1½-5 in klinisch onderzoek 351
8.2 CASUSBESPREKING 352
8.2.1 PRISCILLA, dochter van AMANDA 352
8.2.2 NABIL, zoon van ANGELA 353
8.2.3 SHAKIRA, dochter van ANJA 355
8.2.4 GIANI, zoon van ASHLEY 357
8.2.5 CHIARA, dochter van KELLY 359
8.2.6 KYLIE, dochter van KIMBERLY 360
8.2.7 JORDY, zoon van LESLEY 361
8.2.8 NOURIA, dochter van MIRANDA 363
8.2.9 EEFJE, dochter van NANCY 365
8.2.10 LARISSA, dochter van PEGGY 366
8.2.11 XANDY, dochter van SANDRA 368
8.2.12 JOYCE, dochter van SYLVIE 370
8.3 ALGEMEEN BESLUIT 372
8.3.1 Het functioneren van de twaalf kinderen volgens CBCL 1½ - 5 en C-TRF 1½ - 5 373
8.3.2 Het algemeen functioneren van het kind volgens CBCL 1½ - 5 en C-TRF 1½ - 5 en gehechtheid 377
8.3.2.1 Gehechtheidsgedrag van kind 377
8.3.2.2 Gehechtheidsrepresentatie van moeder 382
8.3.3 Het algemeen functioneren van het kind volgens CBCL 1½ - 5 en de andere onderzoeksinstrumenten 384
8.3.3.1 Representationeel niveau 385
8.3.3.2 Emotionele beschikbaarheid 386
8.3.3.3 Samenvatting 386
8.3.4 Betekenis van de bekomen data over het algemeen functioneren van het kind 386
9 BESLUIT 389
9.1 BEVINDINGEN 389
9.1.1 Bevindingen per casus 389
9.1.1.1 Amanda en Priscilla 389
9.1.1.2 Angela en Nabil 390
9.1.1.3 Anja en Shakira 391
9.1.1.4 Ashley en Giani 391
9.1.1.5 Kelly en Chiara 392
9.1.1.6 Kimberly en Kylie 392
9.1.1.7 Lesley en Jordy 393
9.1.1.8 Miranda en Nouria 394
9.1.1.9 Nancy en Eefje 394
9.1.1.10 Peggy en Larissa 395
9.1.1.11 Sandra en Xandy 396
9.1.1.12 Sylvie en Joyce 396
9.1.1.13 Conclusie 397
9.1.2 Bevindingen per instrument/hypothese 398
9.1.2.1 AAI 398
9.1.2.2 AQS 399
9.1.2.3 EAS 402
9.1.2.4 RF 405
9.1.2.5 D-R 409
9.1.2.6 CBCL 1½- 5 en C-TRF 1½- 5 413
9.1.2.7 Conclusie 416
9.2 STERKTES EN ZWAKTES VAN HET ONDERZOEK 418
9.3 SUGGESTIES VOOR VERDER ONDERZOEK 421
9.4 IMPLICATIES VAN HET ONDERZOEK VOOR KLINISCHE PRAKTIJK EN BELEID 423
9.4.1 Vroeg begin van interventie 424
9.4.2 ‘Relationship-based’ 425
9.4.3 Curatief én preventief 425
9.4.4 Langdurig en intensief 426
9.4.5 Continuïteit 427
9.4.6 Representatie als belangrijke ‘port of entry’ voor interventie in deze doelgroep 428
9.4.7 Belang van spel en speelsheid 429
9.4.8 Zorgverlening op maat, rekening houden met de eigen noden en vragen 430
9.4.9 Begeleiding aan huis 430
9.4.10 Belang van een ondersteunend netwerk 431
9.4.11 Oog voor de specifieke cultuur van mensen in armoede 432
9.4.12 Sterktes als vertrekpunt, ondanks de aanwezige kwestbaarheden 432
10 REFERENTIES 435
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Research Group on Psychotherapy and Psychodynamic psychology (-)
School Psychology and Development in Context

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
Deel_II_Final.pdf Published 1806KbAdobe PDFView/Open Request a copy
Voorblad_Deel_II.pdf Published 25KbAdobe PDFView/Open Request a copy
Voorblad_Deel_I.pdf Published 25KbAdobe PDFView/Open Request a copy
Deel_I_Final.pdf Published 2750KbAdobe PDFView/Open Request a copy

These files are only available to some KU Leuven Association staff members

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.