ITEM METADATA RECORD
Title: Kaarten op bestelling. De beroepsorganisatie der land- en edificiemeters in het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas, 1680-1795.
Other Titles: Maps on command. The professional group of Land Surveyors in the Duchy of Brabant and in the Regions of Overmaas, 1680-1795.
Authors: Janssens, Luc; M8013616;
Issue Date: 20-Oct-2006
Publisher: S. n., Leuven, 2006
Abstract: Om in de zeventiende en achttiende eeuw in het hertogdom Brabant lid te worden van de beroepsgroep van land- en edificiemeters, kon een aspirant een rekest indienen bij twee instanties. Ofwel diende hij een rekest in bij de bevoegde centrale instelling, gedurende de onderzoeksperiode mee stal de Geheime Raad. Dit verschafte de landmeter een toelating om in he el de Zuidelijke Nederlanden als landmeter te kunnen werken. Ofwel diend e hij een rekest in bij de provinciale justitieraad, de soevereine Raad van Brabant. Die instelling verschafte een toelating om binnen het juris dictiegebied van het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas het ber oep uit te oefenen. Reeds in 1618, en opnieuw in 1705 werden voor het hertogdom Brabant twee ordonnanties uitgegeven met een provinciale reglementering van het bero ep. De ordonnantie van 1705, die het Ancien Regime overleefde, gaf het b eroep een statuut en werkte de procedure uit om tot het beroep toegelate n te worden. Binnen de beroepsgroep werd voor de eerste keer het ondersc heid bekrachtigd tussen de gewone landmeters, die enkel het land konden opmeten, en de edificiemeters die volumes konden opmeten, bijvoorbeeld h et metselwerk van huizen en het volume van de houtkap in de bossen. Ik construeerde een databank met de samenstelling van de beroepsgroep de r land- en edificiemeters die tussen 1680 en 1795 tot het beroep werden toegelaten. De resultaten zijn de volgende. Tussen 1680 en 1795 admittee rde de Raad van Brabant 324 land- en edificiemeters. Van deze groep dien den er 22 ook een rekest in bij de bevoegde centrale instelling. Daarteg enover bevat mijn databank maar 19 landmeters die alleen een admissie op centraal niveau bekwamen. In mijn onderzoeksperiode registreerde ik 131 plaatsen in het hertogdom Brabant, waar korte of lange tijd een landmet er resideerde. Het is duidelijk dat deze standplaatsen niet permanent wa ren. Na migratie, om economische of persoonlijke redenen, groeide het aa ntal landmeters in de steden van 131 naar 149, ten koste van het plattel and. De witte zones, waar er geen landmeters resideerden, waren: de regi o ten oosten van Leuven, en ten westen, noorden en oosten van Tienen, he t midden van de Kempen, met grote concentraties aan de limieten van deze regio (‘s-Gravenwezel, Schilde, Turnhout, Tongerlo and Westerlo). Er wa ren hoge concentraties van landmeters in het zuiden van het hertogdom: o p de grens met Vlaanderen; de steden Brussel, Mechelen en Leuven; het fr anssprekende deel van het hertogdom. Hoeveel landmeters waren er actief in mijn onderzoeksperiode? Vooraleer hierop te antwoorden moeten we de gegevens met betrekking tot het aantal admissies in verband brengen met de lengte van de loopbanen van de land meters. Voor een grote groep was ik in staat om de loopbanen te definiër en vanaf de admissie tot de laatste vermelding van activiteiten. Er is e venwel een kleinere groep waarover ik geen gegevens beschik. Om ook deze laatste groep in rekening te brengen, herberekende ik de cijfers door h en een gemiddelde loopbaan van 27 jaar te geven. Het totaal aantal landm eters dat tegelijk in functie was schommelde rond 50 tussen 1719 en 1755 . Vanaf 1756 groeide het aantal landmeters. Het totaal aantal landmeters overschreed echter nooit de 100 of juist erboven tussen 1774 en 1789. N a 1785 was er een terugval. Dit bewijst dat het om een erg kleine beroep sgroep handelde. In tegenstelling met de Verenigde Provincies en in tegenstelling met de notarissen is er in de Zuidelijke Nederlanden aan de landmeters nooit en ige verplichting opgelegd om minuutregisters te houden, zoals de Haagse Raad van Brabant in 1632 aan de landmeters oplegde. Nochtans waren deze protocollen nuttig. Het liet de landmeters toe om van het origineel opni euw een expeditie te maken, indien nodig met kleine veranderingen. Het v alt te betreuren dat er voor het hertogdom Brabant geen landmetersprotoc ollen uit de achttiende eeuw bewaard bleven. Ik veronderstel dat deze pr otocollen maar tot de volgende generatie bewaard bleven en nadien verlor en gingen. Soms was het zelfs de cliënt zelf die uitdrukkelijk vroeg om de minuten en andere documenten betreffende de opmeting te vernietigen. In de ordonanties van 1618 en van 1705 was nergens sprake van een verpli chte opleiding, maar deze was impliciet wel aanwezig vermits de bekwaamh eid via een toelatingsexamen getest werd. Lezen, schrijven en reke nen, die tot de basisvaardigheden behoorden, werden in de stads- en dorp sscholen aangeleerd, vaardigheden die vergaard werden tussen de leeftijd van 11-16 jaar. Voor de theorie en de praktijk van de aritmetica (telku nst) en de geometrie (meetkunst) gingen de aspirant-landmeters meestal i n de leer bij praktiserende landmeters. Particuliere wiskundeleraars, ma thematicascholen en de professoren van de Leuvense universiteit zorgden voor een eerder beperkte ondersteuning. De opleiding was theorie- en pra ktijkgericht. Op het terrein leerden de aspiranten gebruik van de versch illende instrumenten, in de eerste plaats de landmetersketting, en hoe men kaarten vervaardigde na de opmeting op het land. In het atelier maakten ze kennis met de verschillende beschrijfstoffen kennen, met nam e papier of perkament. Daar werd hen ook het teken- en schilderwerk gele erd en hoe bijvoorbeeld inktvlekken dienden te worden verwijderd. Ook het examen bestond uit een theoretisch en praktische ondervraging va n de kennis van de aritmetica en de geometrie. Er is geen enkele aanwijz ing dat ook de juridische kennis werd getoetst, alhoewel het beroep de n odige kennis vereiste van de lokale plakkaten en costuimen, voor zover z e betrekking hadden op de landmeetkunst. In het algemeen kan men stellen dat de landmeterskaart in de zeventiende en vooral de achttiende eeuw evolueerde naar een soort gestandaardiseer de kaart, waarbij bepaalde elementen een vaste plaats kregen: de titel, de attestatie, de schaalaanduiding de windroos en de legende. Het opstel len van typologieën van gedrukte en handschriftelijke kaarten is een fen omeen van de huidige tijd, waarbij gebruik wordt gemaakt van huidige inz ichten in de historische cartografie. In de achttiende eeuw maakten de t oenmalige landmeters zich hierover niet druk: hun figuratieve producten werden bijna steeds als «caerten figurative» aangeduid. Sommige la ndmeters tekenden een aantal percelen op een blad, anderen veel percelen , wat natuurlijk zijn consequenties had in de maaktijd van ieder product . In tegenstelling tot de militaire ingenieurs zouden landmeters tot in het eerste kwart van de negentiende eeuw hun kaarten met figuratieve ele menten blijven stofferen. Onderzoek toont aan dat de land- en edificiemeters enkel in actie kwamen na een bestelling door een cliënt, waarbij deze precies uiteenzette wat hij van de landmeter verwachtte. Het is mijn overtuiging dat op het ein de van de zeventiende en in de achttiende eeuw de omstandigheden gunstig waren voor een toename van de productie van landmeterskaarten. Die omst andigheden ontstonden door een combinatie van politieke en economische b eslissingen. De ordonnantie van 25 juli 1683 van de Raad van Brabant die de dorpen verplichtte het totale grondbezit te laten opmeten en de ordo nnantie van 18 januari 1705 hadden beide een invloed op lange termijn. E venmin had het in cultuur brengen van de woeste gronden in de tweede hel ft van de achttiende eeuw een groot effect in het maken van kaarten. Ten einde de economie van het land te verbeteren namen centrale, gewestelij ke en stedelijke autoriteiten en enkele edelen en rijke burgers het init iatief voor nieuwe steenwegenprojecten, kanalen etc. Het waren nie t zozeer deze projecten zelf die tot meer kaartrealisaties leiden (nauwe lijks ca 200 kaarten in de databank), maar ze hadden een niet te veronac htzamen neveneffect, met name de noodzaak voor onteigende (groot)grondbe zitters om hun goederen opnieuw te laten opmeten en in prekadastrale kaa rten te laten vastleggen. Veel grootgrondbezitters waren geïnteresseerd in nieuwe kaarten van hun goederen. Sommigen wilden een nieuwe opmeting van hun percelen voor de b erekening van de pachtprijzen, voor anderen waren de kaarten louter luxe producten. Tenslotte was het koninklijke domein zelf ook geïnteresseerd in een aantal kaarten voor het beheer van de houtkap in het Zoniënwoud, of om de grenzen van het woud en van de vrije ruimte rond Brussel, de Vr ije Warande waarin de jacht verboden was, vast te leggen. Een grondig on derzoek van de databank leert dat de groep die de meeste kaarten besteld en de grootgrondbezitters waren: in de eerste plaats de reguliere clerus (abdijen en kloosters) (47,11 pct.); verder de adel (10,65 pct.), de se culiere clerus (8,06 pct.) en burgers (5,38 pct.). Van de publieke inste llingen waren de dorpen de grootste afnemers (12,53 pct.), gevolgd door de liefdadigheidsinstellingen (9,40 pct.), de centrale en centraal provinciale instellingen (3,82 pct.), de steden (1,40 pct.), de polderb esturen (1,15 pct.) en andere (0,04 pct.). Deze cijfers demonstreren het feit dat handschriftelijke kaarten een lux eproduct waren. Ze konden alleen door de hogere klasse worden gekocht: c lerus, adel en rijke burgers of publieke instellingen. Dit wordt bevesti gd door de verschillende kaartenproducten en de kostprijs ervan: een atl as met meerdere kaarten op perkament of op papier, wandkaarten en kaarte n versterkt op linnen, gewone kaarten en opmetingsakten met beperkte sch etsen op papier. Gewone mensen konden zich enkel de laatste twee veroorl oven, maar zij waren misschien zelfs tevreden met een gewone opmetingsak te zonder tekening. De databank werd opgemaakt in MS Access. Ze bestaat uit twee verschillen de delen die met elkaar gerelateerd zijn: in het eerste deel heb ik de p rosopografie of de biografische elementen betreffende de landmeters verz ameld. In het andere deel bevinden zich de kaartbeschrijvingen. De databank en de grafieken met de interpretatie van de gegevens kunnen pe rmanent worden bijgewerkt met nieuwe kaartvondsten zodat het een permane nt register wordt voor een belangrijk patrimonium van ons land. Het vers chil met het Engelse voorbeeld van Susan Bendall uit 1997 is het volgend e:. in plaats van alle kaartproductie van eender welke uitvoerder in kaa rt te brengen, beperkte ik me tot één enkele beroepsgroep, namelijk de l and- en edificiemeters. Dit maakt het mogelijk om de kaartproductie te g ebruiken voor een afzonderlijk onderzoek van de beroepsgroep. De databank is niet volledig. Niettegenstaande ik heel wat bronnen heb g ebruikt, zijn er nog steeds kaarten verborgen in de openbare archiefbewa arplaatsen of in het bezit van particulieren. In de toekomst hoop ik een meldpunt te creëren om laatstgenoemden ertoe te stimuleren de door hen bewaarde kaarten met de wetenschappelijke wereld te delen, indien gewens t door hen anonimiteit te garanderen. Verder, wil ik aan mijn databank e en databank koppelen met de foto’s van de kaarten. Dit zal de onderzoeke r in staat stellen om onmiddellijk de kaart te bekijken die hem interess eert. Tenslotte, wil ik een gelijkaardige databank opstellen voor alle g ewesten van de Zuidelijke Nederlanden en de onderzoeksperiode uitbreiden , van de zestiende tot het einde van de achttiende eeuw.
Table of Contents: Afkortingen
Lijst van figuren
Lijst van tabellen
Woord vooraf
Geraadpleegde bronnen en werken
Hoofdstuk 1. Voorstelling van het onderzoek en bronnenbespreking
Hoofdstuk 2. Wetgevend kader en benoemingsprocedure
Hoofdstuk 3. De beroepsgroep der land- en edificiemeters in het hertogdom Brabant en de landen van Overmaas tussen 1680-1795
Hoofdstuk 4. Opleiding en examen
Hoofdstuk 5. Typologie van de landmetersproducten en kwaliteit
Hoofdstuk 6. De grote kaartopdrachten tijdens de onderzoeksperiode 1680-1795. Vanwege de verschillende overheden
Hoofdstuk 7. De grote kaartopdrachten tijdens de onderzoeksperiode 1680-1795. Vanwege private grootgrondbezitters
Hoofdstuk 8. De kaartproductie in de databank, een disparate verdeling: evaluatie van de heuristiek en de resultaten
Hoofdstuk 9. Een poging tot verklaring van de disparate kaartproductie: wie was de land- en edificiemeter
Algemeen Besluit
Bijlage 1. Databank
Bijlage 2. Kaarten, grafieken en afbeeldingen
URI: 
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Early Modern History (15th-18th Centuries) @ Leuven

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
Doc_Luc-Janssens_061020.pdf Published 21415KbAdobe PDFView/Open

These files are only available to some KU Leuven staff members

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.