ITEM METADATA RECORD
Title: Overheidssturing van de socialezekerheidsinstellingen: mogelijkheid en instrumenten.
Authors: Verdeyen, Vanessa
Issue Date: 7-Jan-2009
Abstract: Het takenpakket van de overheid is binnen de sociale rechtsstaat, waarin de sociale rechtvaardigheid en rechtmatigheid meer centraal zijn komen te staan, dermate uitgebreid dat het onhoudbaar is gebleken de uitvoering van deze taak helemaal en exclusief door de overheid te laten uitvoeren. Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen werden in alle mogelijke rechtsvormen en -verhoudingen tot de Staat ingeschakeld in de uitvoering van de overheidstaak. Op die manier raakten Staat en maatschappij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Met betrekking tot de sociale zekerheid was het betrekken van de sociale partners in de organisatie en de uitvoering van de sociale zekerheid daarnaast noodzakelijk om een (historisch) draagvlak voor het verplichte systeem en de bijhorende bijdragebetaling te vinden. De overheid neemt ten aanzien van de betrokken socialezekerheidsinstellingen een sturende rol op zich. Een dergelijke sturing ten aanzien van de uitvoeringsinstellingen van een ‘overheidstaak’ is enerzijds belangrijk voor de overheid, die de (Grondwettelijke) eindverantwoordelijkheid voor deze taak draagt. De uitvoering van de sociale zekerheid door de veelheid aan uitvoeringsinstellingen bepaalt immers (mee) of de sociaal verzekerde (correct en tijdig) krijgt waarop hij recht heeft. Anderzijds is een goede sturing van de uitvoeringsinstellingen belangrijk naar de burger toe, zowel naar de individuele burger in zijn rechtstreekse verhouding tot de dienstverlenende instelling, als meer collectief naar de maatschappij toe. Het nagestreefde sturingseffect is een maatschappelijk en (bijgevolg) dynamisch gegeven, waardoor ook de sturingsinstrumenten kunnen wijzigen bij een gewijzigde doelstelling. Het oogmerk van de overheidssturing in het algemeen onderging al een evolutie: van het waarborgen van sociale rechtvaardigheid over rechtsbescherming tot het opleggen van eisen aan de kwaliteit (en klantgerichtheid) van de dienstverlening. Deze sturing waarbij kwaliteit centraal is komen te staan, geeft een nieuwe legitimering aan de (uitvoerings)instellingen met een overheidstaak.Het is net deze license to operate die in de socialezekerheidsuitvoering vaak onzuiver is geworden. In het complexe netwerk van de hedendaagse samenleving is het traditionele gezagsmodel niet meer bruikbaar. In de huidige pluralistische samenleving ontbreekt niet enkel een consensus over de achterliggende basis voor de sociale zekerheid, maar door de ontzuiling is voor heel wat instellingen in het maatschappelijk middenveld de basis zelf verwaterd. Een nieuwe legitimatie kan gevonden worden in de ‘maatschappelijke bijdrage’ van deze instellingen, waarbinnen de kwaliteit van de dienstverlening een belangrijke rol vervult. Is dit geëvolueerde oogmerk ook terug te vinden in de sturingsverhouding tussen de Staat en de socialezekerheidsinstellingen? De overheid stuurt de verschillende socialezekerheidsinstellingen aan de hand van een veelheid aan sturingsinstrumenten, zoals de erkenning, de bestuursovereenkomst, de financiële sturing, de marktwerking, het opleggen van een rechtsvorm, het opleggen van specifieke kwaliteitselementen en een bijzonder toezichtssysteem. Het juridische toetsingskader aan de hand waarvan de mate van kwaliteitssturing werd nagegaan, bestaat uit drie onderdelen: de kwaliteit van dienstverlening (op basis van de verruimde algemene beginselen van behoorlijk bestuur), de kwaliteit van bestuur (op basis van de verruimde corporate governance beginselen) en de kwaliteit van sturing (op basis van de beginselen van goede wetgeving). Er kan uit de juridische kwaliteitsanalyse van de verschillende sturingsinstrumenten besloten worden dat het belang met betrekking tot de kwaliteitssturing beperkt is. Door het geheel van sturingsinstrumenten binnen het kwalitatief kader te plaatsen, wordt opnieuw duidelijk dat de sturing naar kwaliteit slechts indirect en in beperkte mate in de sturingsverhouding tussen de Staat en de OISZ of de privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen wordt aangewend. Nog steeds wordt voornamelijk vanuit een historische legitimatie gestuurd, waarbij weinig aandacht gaat naar een actuele kwaliteit van dienstverlening, bestuur en sturing. Enkel de twee meest actuele sturingsinstrumenten, namelijk de bestuursovereenkomst en de administratiefrechtelijke rechtsbeschermende regelgeving dragen een directe kwaliteitssturing in zich, maar voornamelijk vanuit een historische en niet aan de actuele kwaliteitseisen aangepaste vertrekbasis. Zo wordt het paritair beheer bevestigd (en verstevigd) door de bestuursovereenkomst en wordt de rol van de regeringscommissaris versterkt door het bestuurlijk toezicht (dat eveneens aan de bestuursovereenkomst is verbonden). Een tweede bevinding is dat de kwaliteit van de dienstverlening meer ten aanzien van de OISZ wordt nagestreefd dan ten aanzien van de privaatrechtelijke instellingen het geval is, hoewel beide instellingen instaan voor de (kwaliteit van de) uitvoering van de sociale zekerheid.Met betrekking tot de kwaliteit van de overheidssturing ten aanzien van de socialezekerheidsinstellingen werden heel wat bemerkingen geformuleerd. Het grootste probleem is het gebrek aan visie, eenvormigheid en beleid in de sturing. De sturing gebeurt vanuit de geschiedenis en werd slechts zeer beperkt aangepast, maar werd nooit en wordt nog steeds niet overkoepelend bekeken. De overheid kan enkel aanbevolen worden de kwaliteitssturing een centrale plaats binnen de te ontwikkelen sturingsvisie te geven en op die manier de belangen van de drie centrale actoren binnen de sociale zekerheid te dienen. Dit kan enkel door in eerste instantie duidelijke en actuele sturingsdoelstellingen op te stellen en vervolgens deze doelstellingen na te streven vanuit een geïntegreerd sturingskader (sturingswet) en sturingsbeleid.
Table of Contents: DEEL I: ONDERZOEKSKADER 1
I. SITUERING 3
II. AFBAKENING: FORMELE STURING BINNEN HET SOCIALEZEKERHEIDSRECHT 7
Afdeling I. Het socialezekerheidsrecht 7
Afdeling II. Formele sturing 8
III. ONDERZOEKSVRAGEN 12
IV. WERKWIJZE EN OPBOUW 14

DEEL II: BEGRIPPENKADER 17
HOOFDSTUK I. STURING VIA STURINGSINSTRUMENTEN 19
Afdeling I. Sturing 19
Afdeling II. Sturingsinstrumenten 24

HOOFDSTUK II. SOCIALEZEKERHEIDSINSTELLINGEN ALS ADMINISTRATIEVE OVERHEDEN 27
Afdeling I. Socialezekerheidsinstellingen 27
§1. Een pluralistisch en decentraal systeem van socialezekerheidsinstellingen 27
§2. De openbare instellingen van sociale zekerheid 30
§3. De privaatrechtelijke instellingen van sociale zekerheid 35
§4. Onderscheid publiek/privaat 36
Afdeling II. Een probleemgerichte benadering van administratieve overheden in het algemeen 37
§1. De administratieve overheid: ontstaan en begrip 37
§2. Kwalificatiecriteria 38
A. De organieke en de functionele criteria: een evolutie 38
B. Kwalificatieproblemen 41
C. De overheidstaak als alternatief criterium 45
Afdeling III. Zijn socialezekerheidsinstellingen administratieve overheden? 47
§1. Publiekrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 47
§2. Privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 49
Afdeling IV. Verwantschap met sturing 52
Afdeling V. Besluit 53

DEEL III: NOODZAAK EN MOGELIJKHEID SOCIALEZEKERHEIDS-INSTELLINGEN TE STUREN 57
ALGEMEEN 59

HOOFDSTUK I. NOODZAAK SOCIALEZEKERHEIDSINSTELLINGEN TE STUREN 59

HOOFDSTUK II. MOGELIJKHEID SOCIALEZEKERHEIDSINSTELLINGEN TE STUREN 67
Afdeling I. Internrechtelijke mogelijkheid 67
§1. Openbare dienst 67
§2. Algemeen belang 68
A. Algemeen belang als grond om op te treden 68
B. Leer van het algemeen belang 69
1. Afbakening 69
2. Eigenschappen 71
a. Internationale en grondwettelijke verplichtingen 72
b. EU-criteria diensten algemeen belang 72
c. Andere kenmerken 75
C. Socialezekerheidsuitvoering als taak van algemeen belang 79
1. Algemeen 79
2. De sociale zekerheid binnen de ‘leer van het algemeen belang’ 80
3. Evaluatie 86
Afdeling II. Beperkende werking van het Europees recht 86
§1. Europa en sociale zekerheid 86
A. Europeesrechtelijke kwalificatie van een nationaal socialezekerheidsstelsel 87
1. Europeesrechtelijke sociale zekerheid 87
2. Europeesrechtelijke herkwalificatie 89
B. Europeesrechtelijke kwalificatie van nationale socialezekerheidsinstellingen 89
C. Slotopmerking 92
§2. Het Belgische socialezekerheidsstelsel Europeesrechtelijk benaderd 93
A. De sociale zekerheid uitgevoerd door publiekrechtelijke dan wel non-profitinstellingen 93
B. De casus van de Belgische arbeidsongevallenverzekering 97
§3. De rem van Europa? 100

HOOFDSTUK III. BESLUIT 101

DEEL IV: KWALITATIEF KADER 103
HOOFDSTUK I. UITGANGSPUNT 105

HOOFDSTUK II. STURING NAAR KWALITEIT 107
Afdeling I. Kwaliteit van dienstverlening 107
§1. Kwaliteit van dienstverlening als ‘behoorlijk bestuur’ 107
§2. Kwaliteit als klantgerichtheid, efficiëntie en effectiviteit 113
A. Klantgerichtheid 114
B. Efficiëntie en effectiviteit 116
C. Klantgerichtheid, efficiëntie en effectiviteit in een juridisch kwaliteitskader? 117
Afdeling II. Kwaliteit van bestuur 119
§1. Kwaliteit als governance 119
§2. De vertaalde en gecorrigeerde OECD principes 123
A. Positie van de aandeelhouders 123
B. De rol van de stakeholders 123
C. De gelijke behandeling 127
D. Openheid en transparantie 128
E. Verantwoordelijkheid 129
F. Governancekader 130

HOOFDSTUK III. KWALITEIT VAN STURING 133
Afdeling I. Kwaliteitseisen gesteld aan wetgeving 133
Afdeling II. De vertaalde kwaliteitseisen 135

HOOFDSTUK IV. HET KWALITATIEF KADER IN HET LICHT VAN DE SOCIALE EN DE DEMOCRATISCHE RECHTSSTAAT 141

HOOFDSTUK V. BESLUIT 149

DEEL V: STURINGSINSTRUMENTEN IN DE SOCIALE ZEKERHEID 151
ALGEMEEN 153

HOOFDSTUK I. HET OPLEGGEN VAN EEN RECHTSVORM 153
Afdeling I. Situering en potentieel belang 153
Afdeling II. De publiekrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 155
§1. Mogelijkheid 155
§2. De paritair beheerde parastatale instellingen 156
Afdeling III. Het opleggen van een rechtsvorm aan de privaatrechtelijke instellingen 168
§1. Mogelijkheid 168
§2. Het opleggen van een privaatrechtelijke rechtsvorm binnen het onderzoekskader 170
A. De keuze voor een privaatrechtelijke rechtsvorm 170
B. Het opleggen van een ‘specifieke privaatrechtelijke rechtsvorm’ 175
1. Non-profitinstellingen 177
a. VZW 177
i. VZW en sociale zekerheid 177
ii. VZW-recht 178
iii. Beschouwingen 190
b. Sui generis rechtspersoon 190
i. De sui generis rechtspersoon en de sociale zekerheid 190
ii. Ziekenfondsen 192
iii. Uitbetalingsinstellingen in de werkloosheidsverzekering 199
iv. Gemeenschappelijke kassen voor arbeidsongevallen 202
2. Het opleggen van een vennootschapsvorm 203
a. De vennootschap in de sociale zekerheid 203
b. Mogelijkheid 204
i. Conceptuele mogelijkheid 204
ii. Internrechtelijke mogelijkheid 207
iii. Europeesrechtelijke mogelijkheid 207
c. De vennootschapsrechtelijke rechtsvorm in het kader van het onderzoek 210
Afdeling IV. Het opleggen van een rechtsvorm binnen het kwalitatief kader 211
§1. Sturing naar kwaliteit 212
A. Kwaliteit van dienstverlening 212
1. OISZ 212
2. Privaatrechtelijke instellingen 213
B. Kwaliteit van bestuur 214
1. OISZ 214
2. Privaatrechtelijke instellingen 216
§2. Kwaliteit van sturing 218
§3. Schema 221
Afdeling V. Aanbevelingen 224
Afdeling VI. Besluit 228

HOOFDSTUK II. DE ERKENNING EN MACHTIGING 231
Afdeling I. Situering 231
Afdeling II. De erkenning en verwante begrippen 232
Afdeling III. De machtiging in de uitvoering van de sociale zekerheid 234
§1. Mogelijkheid 235
§2. De machtiging als rechtsfiguur 236
A. Algemeen 236
B. Machtigingsvoorwaarden 238
C. Gevolgen 249
D. Sancties 251
E. Verzaking 254
F. Aansprakelijkheid 255
1. Overheid 255
a. Machtigende overheid 255
b. Wetgevende macht 258
2. Socialezekerheidsinstelling 259
§3. Twee bijzondere types van socialezekerheidsinstellingen op vlak van de machtiging 260
A. Ziekenfondsen 261
B. Arbeidsongevallenverzekeraars 263
Afdeling IV. De machtiging van socialezekerheidsinstellingen binnen het kwalitatief kader 265
§1. Sturing naar kwaliteit 266
A. Kwaliteit van dienstverlening 266
B. Kwaliteit van bestuur 267
§2. Kwaliteit van sturing 267
§3. Schema 272
Afdeling V. Aanbevelingen 274
Afdeling VI. Besluit 276

HOOFDSTUK III. DE BESTUURSOVEREENKOMST 277
Afdeling I. Situering en potentieel belang 277
Afdeling II. Mogelijkheid de overeenkomst te hanteren 282
Afdeling III. De figuur van de bestuursovereenkomst binnen de sociale zekerheid 285
§1. Betrokken actoren 285
A. Rechtstreeks betrokken actoren 288
B. Actoren andere dan de contractspartijen 291
§2. Totstandkoming 295
A. Preonderhandelingsfase 298
B. Onderhandelingsfase 299
C. Goedkeuringsfase 303
D. Herziening 306
§3. Inhoudelijke bepalingen 308
A. Taken ter vervulling van de wettelijke opdrachten, gekwantificeerde doelstellingen en gedragsregels ten aanzien van het publiek 309
1. Taken en gekwantificeerde doelstellingen 309
2. Gedragsregels ten aanzien van het publiek 313
B. Taken van de Staat 314
1. Berekeningswijze en vaststelling van de beheers- en de personeelskredieten 314
2. Andere taken van de Staat? 318
C. Positieve en negatieve sancties 320
§4. Rol van privaatrechtelijke instellingen 320
§5. Evaluaties van de (uitvoering van de) bestuursovereenkomsten 321
§6. Sanctionering 327
Afdeling IV. De juridische kwalificatie 330
§1. De bestuursovereenkomst 330
A. De bestuursovereenkomst als overeenkomst? 330
1. Wettelijke kwalificatie 330
2. Wilsovereenstemming 332
a. Aanwijzingen wilsovereenstemming 332
b. Tegenaanwijzingen wilsovereenstemming 333
c. Evaluatie 336
B. De bestuursovereenkomst als geldige overeenkomst 338
C. De bestuursovereenkomst als bijzondere overeenkomst 339
1. Kwalificatie als administratieve overeenkomst 339
2. Gevolgen van de kwalificatie als administratieve overeenkomst 343
a. Toepasselijk recht 343
b. Bevoegde rechter 346
§2. De verbintenissen 346
A. Verbintenissen van de contractspartijen 346
1. OISZ 346
2. Staat 348
3. Sanctionering 351
B. Positie van de derde in de verbintenis 351
1. Derdenwerking als rechtsfiguur 353
2. Derdenwerking van de bestuursovereenkomsten 354
3. Reglementair karakter van een contractueel beding 355
4. Slotopmerking 357
Afdeling V. De bestuursovereenkomst binnen het kwalitatief kader 357
§1. Sturing naar kwaliteit 357
A. Kwaliteit van dienstverlening 357
B. Kwaliteit van bestuur 359
§2. Kwaliteit van sturing 360
§3. Schema 369
Afdeling VI. Aanbevelingen 370
Afdeling VII. Besluit 376

HOOFDSTUK IV. MARKTWERKING 379
Afdeling I. Situering en potentieel belang 379
Afdeling II. Quasi-marktwerking 381
§1. Keuzevrijheid en marktwerking 381
§2. Mogelijkheid keuzevrijheid op te leggen 382
§3. Keuzevrijheid in de sociale zekerheid 384
A. Keuzemogelijkheid 384
B. Beperkte keuzevrijheid 391
C. Beschouwing 397
Afdeling III. Commerciële Marktwerking 399
Afdeling IV. Marktwerking binnen het kwalitatief kader 405
§1. Kwaliteit van dienstverlening 405
§2. Kwaliteit van sturing 408
§3. Schema 411
Afdeling V. Aanbevelingen 412
Afdeling VI. Besluit 414

HOOFDSTUK V. FINANCIËLE STURING 415
Afdeling I. Situering en potentieel belang 415
Afdeling II. Financiering van de sociale zekerheid 418
§1. Een omweg langs de financieringswijzen en de financieringsinkomsten in de sociale zekerheid 418
§2. Beheer van de financieringsmiddelen 421
A. Het socialezekerheidsstelsel voor werknemers 421
B. Het sociaal statuut zelfstandigen 423
C. Het socialezekerheidsstelsel van het overheidspersoneel 425
§3. Sturing via globaal financieel beheer 425
A. Publiekrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 425
B. Privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 431
1. Algemeen 431
2. Ziekenfondsen 431
3. Arbeidsongevallenverzekeraars 436
§4. Sturing via de financiering van de sociale zekerheid 438
Afdeling III. Financiering van de administratiekosten 441
§1. Administratiekosten 441
§2. De administratiekosten van de socialezekerheidsinstellingen 443
A. De administratiekosten van de OISZ 444
B. De administratiekosten van de privaatrechtelijke instellingen 446
1. Algemeen 446
2. Responsabilisering 448
a. Kinderbijslagfondsen 448
b. Ziekenfondsen 450
3. Financiële verantwoordelijkheid 454
4. Ledenfinanciering 455
5. Slotopmerking 456
Afdeling IV. Andere financiële stimuli 458
Afdeling V. De financiële sturing binnen het kwalitatief kader 461
§1. Sturing naar kwaliteit 461
A. Kwaliteit van dienstverlening 461
B. Kwaliteit van bestuur 463
§2. Kwaliteit van sturing 463
§3. Schema 466
Afdeling VI. Aanbevelingen 467
Afdeling VII. Besluit 470

HOOFDSTUK VI. TOEZICHT 473
Afdeling I. Situering en potentieel belang 473
Afdeling II. Toezicht als rechtsfiguur 475
§1. Definitie en verschijningsvormen 475
A. Karakter 476
B. Toezichthouder 477
C. Toezichtsgrond 482
D. Gecontroleerde 484
E. Gevolgen 484
F. Slotopmerking 484
§2. Het bestuurlijk toezicht 485
A. Algemeen 485
B. Vormen van bestuurlijk toezicht 486
1. Algemeen administratief toezicht 486
2. Bijzonder administratief toezicht 487
3. Buitengewoon administratief toezicht 488
Afdeling III. Toezicht in de sociale zekerheid 489
§1. Mogelijkheid toezicht uit te oefenen ten aanzien van de socialezekerheidsinstellingen 489
A. Internrechtelijk kader 489
B. Europeesrechtelijk kader 492
§2. Toezicht als sturingsinstrument in de sociale zekerheid 492
A. Toezicht ten aanzien van de publiekrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 492
1. Bestuurlijk toezicht 493
a. Voogdij vs. toezicht 494
b. Toezichthouder 496
i. Ministers 496
ii. Federale overheidsdiensten 496
iii. Figuur van de regeringscommissaris 497
c. Vormen van bestuurlijk toezicht ten aanzien van de OISZ 502
i. Informatiestroom 502
ii. Het bestuurlijk toezicht 503
iii. Politiek toezicht 509
iv. Opmerkingen in het kader van de contractualisering 510
2. Andere toezichtmechanismen 512
a. Financieel toezicht door revisoren 512
b. Bijzonder toezicht op het uitgeoefende toezicht 515
c. Toezicht door de Dienst voor Begrotingsenquêtes en het Hoog Comité van Toezicht 515
d. Contractueel toezicht 516
e. Intern toezicht 516
f. Stakeholdertoezicht 517
g. ‘Toezicht’ door het College van Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid 517
h. Toezicht door het Rekenhof 518
i. Toezicht door de ombudsmannen 519
3. Toezicht op de OISZ schematisch weergegeven 519
4. Toezicht op de OISZ binnen het kwalitatief kader 526
a. Sturing naar kwaliteit 526
i. Kwaliteit van dienstverlening 526
ii. Kwaliteit van bestuur 529
b. Kwaliteit van sturing 530
c. Schema 535
B. Toezicht ten aanzien van de privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 536
1. Algemeen 536
2. Toezicht eigen aan de socialezekerheidstaak 536
a. Door de Staat 537
i. Kwalificatie van de toezichtsvorm 537
ii. Toezicht door de Staat 539
iii. Overheidsaansprakelijkheid 547
iv. Schema 547
b. Door de OISZ 551
i. Algemeen 551
ii. Ten aanzien van de verschillende privaatrechtelijke instellingen 552
iii. Schema 556
c. Door andere instanties 558
i. De landsbond 558
ii. De CBFA 560
iii. De federale ombudsmannen 561
d. Intern toezicht 563
3. Toezicht eigen aan de rechtsvorm 565
a. Algemeen 565
b. Ziekenfondsen 566
c. Kinderbijslagfondsen en sociale verzekeringsfondsen 566
d. Arbeidsongevallenverzekeraars 568
e. Schema 569
4. Toezicht op privaatrechtelijke instellingen schematisch weergegeven 571
a. Ziekenfondsen 571
b. Landsbonden 573
c. Uitbetalingsinstellingen 575
d. Kinderbijslagfondsen 576
e. Sociale verzekeringsfondsen 578
f. Arbeidsongevallenverzekeraars 579
5. Toezicht op de privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen binnen het kwalitatief kader 581
a. Sturing naar kwaliteit 581
i. Kwaliteit van dienstverlening 581
ii. Kwaliteit van bestuur 582
b. Kwaliteit van sturing 584
c. Schema 587
Afdeling IV. Aanbevelingen 588
Afdeling V. Besluit 594

HOOFDSTUK VII. HET OPLEGGEN VAN SPECIFIEKE KWALITEITSELEMENTEN 597
Afdeling I. Situering en potentieel belang 597
Afdeling II. Sturing via het administratiefrechtelijke overheidsbegrip 598
§1. De openbare dienst 599
§2. De administratieve overheid 604
Afdeling III. Sturing via bijzondere kwaliteitsaspecten eigen aan de socialezekerheidssector 611
§1. Algemeen 611
§2. Overkoepelende kwaliteitsaspecten 612
A. Handvest van de sociaal verzekerde 612
B. E-government 618
§3. Specifieke kwaliteitsaspecten voor de OISZ 622
A. Overkoepelend voor de OISZ 622
B. Specifiek voor een sectorale OISZ 627
§4. Specifieke kwaliteitsaspecten voor de privaatrechtelijke socialezekerheidsinstellingen 628
Afdeling IV. Specifieke kwaliteitselementen binnen het kwalitatief kader 629
§1. Sturing naar kwaliteit 629
A. Kwaliteit van dienstverlening 629
B. Kwaliteit van bestuur 632
§2. Kwaliteit van sturing 633
§3. Schema 638
Afdeling V. Aanbevelingen 639
Afdeling VI. Besluit 641

DEEL VI: KWALITATIEVE EINDTOETS EN EINDAANBEVELING 643
ALGEMEEN 645

HOOFDSTUK I. DE STURINGSINSTRUMENTEN BINNEN HET KWALITATIEF KADER 645
Afdeling I. Sturing naar kwaliteit 645
§1. Kwaliteit van dienstverlening 645
§2. Kwaliteit van bestuur 646
Afdeling II. Kwaliteit van sturing 650

HOOFDSTUK II. EINDAANBEVELINGEN 655
Afdeling I. Sturing naar kwaliteit 655
§1. Kwaliteit van dienstverlening 655
§2. Kwaliteit van bestuur 657
Afdeling II. Kwaliteit van sturing 662

HOOFDSTUK III. BESLUIT 673

DEEL VII: ALGEMEEN BESLUIT 675

DEEL VIII: BIBLIOGRAFIE 687

BIJLAGE: VERKORTE WETGEVING 739
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Research Unit Labour and Social Security Law - miscellaneous
LUCAS - Centre for Care Research and Consultancy

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
verdeyen.pdf Published 6252KbAdobe PDFView/Open Request a copy

These files are only available to some KU Leuven Association staff members

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.