ITEM METADATA RECORD
Title: Schrijven, inbinden en lezen in de twaalfde eeuw
Other Titles: Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 27
Authors: Watteeuw, Lieve
Issue Date: 2016
Publisher: Stad Brugge - Openbare Bibliotheek / Grootseminarie Brugge
Host Document: De Duinenhandschriften. Over de manuscripten Ten Duinen in het Grootseminarir Brugge en de Openbare bibliotheek Brugge pages:35-38
Abstract: Schrijven, inbinden en lezen in de twaalfde eeuw
Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 27

Handschrift 27 is een uitzonderlijk handschrift. Het verwijst naar de beginperiode van de Duinenabdij in Koksijde. Vermoedelijk kwam dit handschrift tot stand in het prille abdijscriptorium en werd het er ook ingebonden. Het is evenwel wachten op nieuw onderzoek over de vroege schrijf- en bindactiviteiten van Ten Duinen om deze hypothese te bevestigen. Alvast is het Duinenbezit onomstreden: achterin de codex lieten twee 13de-eeuwse handen tot viermaal toe het eigendomsmerk Liber sancte marie de dunis achter.
Het handschrift bevat één tekst, met name het commentaar van Beda op het bijbelboek Spreuken. De Engelse monnik en geleerde Beda Venerabilis (673-735) maakte zich onsterfelijk met zijn kerkgeschiedenis van Engeland, Historia eclesiastica gentis Anglorum. Zijn Expositio super parabolas Salomonis is minder bekend, maar deze tekst was in monastieke milieus bijzonder geliefd. Daarnaast was Beda met andere bijbelcommentaren en sermoenen ook in de bibliotheek van Ter Doest aanwezig. Een recente editie van deze Super parobolas Salomonis kwam tot stand als onderdeel van deel 119B van de Series Latina van het Corpus Christianorum (1983). Een moderne vertaling is niet beschikbaar.
Dit manuscript vertoont bijna alle kenmerken van zijn ontstaansperiode en is bijgevolg een bijzondere getuige van het twaalfde-eeuwse boek in Vlaanderen. “Close reading” van deze codex is bijgevolg een rijke ervaring. De restauratieopdracht die ik in 2009 uitvoerde in opdracht van de Openbare Bibliotheek Brugge, bood daartoe een gelegenheid. Bovendien werd ik als restaurator uitgedaagd om een antwoord te bieden op de fysieke schade, in de eerste plaats bindingen die zowel ter hoogte van het voor- als het achterplat middendoor waren gebroken. Deze mechanische schade vormde een bedreiging voor het handschrift. De hechting van de acht gebroken bindingen en het herstellen van het verband tussen platten en boekblok werden in essentie gerealiseerd door het inrijgen van een linnen draad in de platten. Deze draad werd geleid door bestaande naaigaten op de rug van de eerste en de laatste katern.
Deze restauratie bood alle gelegenheid om de structuur van deze bijzondere codex van dichtbij te ontleden. De katernen, overwegend samengesteld uit vier dubbelbladen, werden met een visgraatsteek doorlopend genaaid op vier aluingelooide lederen riemen. Deze bindingen werden vervolgens centraal in de platten ingeregen via rechthoekige kanalen, telkens op een verschillende positie. Bij romaanse banden komt het vaak voor dat de bindingen via tappen (pinnen) in de platten vastzitten. Dit is hier niet het geval: de spanning van de riemen in de houten kanalen werd als voldoende sterk ervaren.
De platten zijn eikenhouten planken van 10 mm dikte. Ze werden zorgvuldig bewerkt en zeer licht gerond aan de drie snedezijden, minimaal gerond aan de scharnierkant. De bekleding in leder is complex waarbij de herkomst van het leder aan de binnenkant verschilt van die aan de buitenkant. Het leder aan de buitenkant is mogelijk hert of ree en werd oliegelooid. Op de plaats van de verdwenen doppen en onder de dekbladen bleven restanten van haar aanwezig. Aan de binnenzijde van de platten werd in de vorm van een “enveloppe” of omslag leder met een andere structuur aangebracht dat bovendien met aluin werd gelooid. Ten slotte werd er aan de binnenzijde van de rug een derde ledertype gebruikt. Dit leder functioneert als een eerste rugversteviging. Het leder van de buitenzijde en van de binnenzijde van de platten werd met regelmatig naaiwerk aan elkaar genaaid. Op deze manier kwam de chemise of omslagband tot stand.
Sporen van doppen op voor- en achterplat en van een sluiting (centrale sluitriem met pin op het achterplat) getuigen van de verdere afwerking.
Het mooi bewaarde fenestra, sporen van een kettingklamp, en een plaatsnummer in de vorm van letters op het achterplat geven informatie over het bibliotheekgebruik. Het plaatsnummer op het achterplat wordt gevormd door een grote en een kleine letter in inkt. Hier is het plaatskenmerk “Gc”. Bij 7 andere vroege manuscripten uit de Duinenabdij komen deze dubbele letters ook voor (Aj, At, Be, F, Fb, Gx,Hg). Sporen en perforaties van een kettingklamp, bovenaan de binnenzijde van het voorplat, geven aan dat deze codex ooit geketend op een lessenaar in de abdijbibliotheek werd bewaard. De afstand tussen beide perforaties, 27|28 mm, komt ook voor bij Brugge, Openbare Bibliotheek, mss. 10, 19, 83, 102, 152, 166, 290, 371 en 479, wat toelaat te veronderstellen dat ze van een identieke klamp waren voorzien. Die zag er anders uit dan de klampen uit de Duinenabdij die bewaard bleven in onder meer Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 158 en ms. 476. Dat een codex via een ketting een vaste, onvervreemdbare plaats kreeg toegewezen in de middeleeuwse bibliotheek maakte een plaatskenmerk op het achterplat niet per se overbodig. Bovendien is er het vermoeden dat het plaatskenmerk ouder is dan de kettingklamp. Het fenestra bevindt zich op het achterplat, onderaan, en bevat de verkorte titel: “Beda s[upe]r p[ar]abolas Salomonis”. Zeven perforaties wijzen op een ouder titelschild, meer centraal op het plat. Uit dit alles kan ook worden opgemaakt dat het boek in de volle middeleeuwen vlak werd bewaard, met het achterplat bovenaan, wat in Vlaanderen algemeen gebruikelijk was.
Het boekblok is voorzien van een Duinenfoliëring: elke twee tegenover elkaar liggende pagina’s zijn uniek genummerd in de linkerbovenhoek van de openliggende pagina’s. Deze foliëring in rode inkt maakt gebruik van letters en puntjes. Deze manier om naar een tekstonderdeel te verwijzen is een creatie van de Duinenabdij, maar vond elders geen navolging. Specifiek voor dit handschrift werden de hoofdstuknummers - het boek Spreuken telt er 31 - in Romeinse cijfers naast de folio-aanduiding geplaatst. Teksten zoals deze spreukencommentaar vormden een inspiratiebron voor het redigeren van sermoenen.
Ook paleografisch is dit exegetische manuscript best uitdagend. Het handschrift, geschreven in een 12de-eeuwse praegothica, verraadt het werk van verschillende handen en werd naderhand intensief gecorrigeerd. Het werk van een rubricator voor grote en kleine initialen is de enige verluchting. Daar het boekblok, bewaard in zijn oorspronkelijke band, nooit werd bijgesneden, bleven vele interessante materiële sporen bewaard, zoals de prikkingen, alle representanten, tot diep in de marges, en de katernsignaturen (‘a’ tot ‘p’; de laatste katernsignatuur ‘q’ werd verwijderd, maar is nog net leesbaar).
Twaalfde-eeuwse manuscripten die in al hun authenticiteit tot ons zijn gekomen zijn zeldzame schatten. Dit handschrift is een bijzonder rijke getuige van onder meer schrift en lay-out, bindtechnieken en bibliotheekgebruik. Dit alles maakt het tot een referentiehandschrift voor verder onderzoek naar de productie en het gebruik van boeken in de eerste eeuw van de Duinenabdij. De restauratie laat toe om het manuscript opnieuw te manipuleren, weliswaar met de grootste terughoudendheid. Dit maakt de aanbeveling die een latere middeleeuwse hand neerschreef in de schacht van de P-initiaal op de openingsfolio, wel heel actueel: Folia vertere, non ea frangere sit tibi cure (“De bladen te draaien, ze niet te breken is jouw zorg”).
Lieve Watteeuw
ISSN: 0546/2
Publication status: published
KU Leuven publication type: AHb
Appears in Collections:Research Unit of History of Church and Theology

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.