ITEM METADATA RECORD
Title: Waiting for the Genius.The English Musical Renaissance (1880-1925). History, Memory, Identity.
Authors: Malisse, Peter; M7800322
Issue Date: 4-Jun-2014
Abstract: Waiting for the Genius.
The English Musical Renaissance (1880-1925). History, Memory, Identity

One hundred years ago the German bohemian essayist Oscar A.H. Schmitz wrote a book on (Post) Edwardian society. Only few have read it, yet many know the title: Das Land ohne Musik (1914). Though it was certainly not an innocent publication, the title was not as provocative as it seems. The author rightly claimed it echoed a recurring topos in victorian self-designation: ‘We are not a musical people’. Indeed, after the death of Purcell (1695), British composition and music education went into decline, music life became dominated by foreigners and two-thirds of the average concert programme was dedicated to Handel. This self-image, cherished at first as a proof of manliness and fostered by Puritanism, missionary imperialism and colonial mercantilism, had turned into self-criticism during the last decades of the nineteenth century. Hence the name ‘Renaissance of English Music’ / ‘the English Musical Renaissance’ – hereafter: EMR – for the contemporary movement which aimed to institutionalise music education, to emancipate musical taste and to formalise music as a profession. ‘Renaissance’ definitely did not refer to the Elizabethan Golden Age of Tallis and Byrd, though favorising historians and critics impatiently watched out for a native Genius to put Britain back on the map of European art music. Our dissertation is the first systematic treatment of the EMR from an continental point of view. Its research questions are as follows: (1) How did British art music evolve socially and artistically after the death of both Purcell and Handel, and what was its ethical-aesthetical orientation during the Late-Victorian and Edwardian eras? (2) What does ‘English Musical Renaissance’ stand for in the history of British national music and in what way are fact and representation related within major as well as minor sources? (3) What does a continental scholar learn from the Post-Victorian EMR-historiography and reception history concerning the way the British dealt with the nation’s chequered musical past?

The major pitfalls of cross-channel musicology are, on one hand, the biases of an ill-acquainted Continent towards British art music, and, on the other, the self-designating and often ideologized discourse of the autohistoriographical sources. In consequence, each research question is asking for a specific methodical treatment. First, social and music historical contextualisation made it clear, that, among other things, the EMR was not a National School led by Edward Elgar, but a two-generation movement centred around the Royal College of Music and Oxbridge. The respective figureheads were C.H. Parry and R. Vaughan Williams. Secondly, discourse analysis and narrative hermeneutics helped to deconstruct the Möbius Band formed by a historical EMR (1880-1825) and a historiographical EMR intertwining seamlessly and endlessly. Close reading was needed partly due to the revivalists being their own commentators, partly because the five major EMR-narratives represent quite different historical constructions of the same phenomenon. Finally, the cause of this can only be traced from a third, ethical-aesthetical angle. Throughout the twentieth century the historical EMR has been increasingly perceived as being unfinished: she did hardly succeed in translating British, sc. English identity (ethos) into a distinctively national musical idiom (aesthesis) and her Brahmsian compositional style (aesthesis) did hardly contribute to the development of genuine Britishness, sc. Englishness. So the notion of ‘renaissance’ underwent semantic entropy and started a music historical career as the meliorative part of a dichotomy with the ‘Land without Music’-sobriquet.

The first and last element of our title refers to the conservative, almost reactionary vein of the revival movement, which loathed imperialist vulgarity and fought the current wave of Utilitarianism. Convinced of the Teutonic kinship between the English and German races, and influenced by Spencerian evolutionism, the revivalists believed that the best of English musical heritage (including art music as well as folk music), enriched by the Verinnerlichung of German romantic classicism, would produce a compositional language which suited Britain’s multi-ethnic and multinational ethos. Instead of looking forward to a ‘Promethean’, groundbreaking Leader, they waited for an ‘Epimethean’, ‘re-thinking’ Genius, springing from a ‘Teutonised’ native soil.









Waiting for the Genius.
The English Musical Renaissance (1880-1925). Geschiedenis, her-innering, identiteit




Precies 100 jaar geleden schreef de Duitse bohémien essayist Oscar A.H. Schmitz een boek over de (post)edwardiaanse samenleving. Weinigen hebben het gelezen, maar velen kennen de titel: Das Land ohne Musik. Geen onschuldig werkje, maar echt provocerend was deze titel niet. De auteur had gelijk toen hij stelde dat enkel gealludeerd werd op een terugkerende topos in de victoriaanse zelfbenoeming: ‘We are not a musical people’. Inderdaad, na de dood van Purcell (1695) raakte het Britse muziekonderwijs in verval, werd het muziekleven beheerst door buitenlanders en was twee derde van een doorsnee concertprogramma voorbehouden aan Haendel. Dit zelfbeeld werd, mede onder invloed van puritanisme, missionair imperialisme en koloniaal mercantilisme, gekoesterd als een teken van mannelijkheid, maar veranderde gedurende het laatste kwart van de 19de eeuw in zelfkritiek. Vandaar de naam ‘Renaissance of English Music’ / ‘the English Musical Renaissance’ – hierna: EMR – voor de beweging die streefde naar de institutionalisering van het muziekonderricht, de emancipatie van de goede smaak en de professionalisering van de muzikale beroepen. ‘Renaissance’ refereerde dus niet aan de elizabethaanse Golden Age van Tallis en Byrd, al zochten favoriserende muziekhistorici en -critici koortsachtig naar een Genius dat Groot-Brittannië weerom op de Europese kaart van de kunstmuziek zou zetten. Onze dissertatie is de eerste systematische studie van de EMR vanuit continentaal oogpunt. Er zijn drie onderzoeksvragen: (1) Hoe heeft de Britse kunstmuziek zich maatschappelijk en muziekhistorisch ontwikkeld na de dood van Purcell en Haendel, en wat was haar ethisch-esthetische oriëntatie gedurende de victoriaans-edwardiaanse periode? (2) Waar staat ‘English Musical Renaissance’ voor in de geschiedenis van de Britse nationale muziek en hoe verhouden zich feit en representatie in de betreffende bronnen? (3) Wat leren de (post)victoriaanse muziekhistoriografie en receptiegeschiedenis aan de continentale lezer over de omgang van de Britten met het beproefde muzikale verleden van de natie?

Om als vorser de vereiste neutraliteit te bewaren, moesten we voortdurend op onze hoede zijn; enerzijds voor de continentale vooroordelen, die grotendeels aan onwetendheid te wijten zijn, anderzijds voor het zelfbenoemende en vaak geïdeologiseerde vertoog van de autohistoriografische bronnen. Bijgevolg was voor elke onderzoeksvraag een specifieke methodiek vereist. Vooreerst maakte een sociaal- en muziekhistorische contextualisering duidelijk dat de EMR geen Nationale School was, geleid door Edward Elgar, maar een beweging in en rond het Royal College of Music. Wij onderscheidden twee generaties met C.H. Parry en R. Vaughan Williams als respectieve boegbeelden. Vervolgens hielpen vertooganalyse en narratieve hermeneutiek om de ‘Moebiusband’ te deconstrueren waarin een historische EMR (1880-1925) en een historiografische EMR naadloos en eindeloos in elkaar overgaan. Close reading drong zich op, deelsomdat de historische commentaar vaak door de revivalisten zelf geschreven is, deels omdat de vijf EMR-narratieven elk een andere historische constructie presenteren van hetzelfde fenomeen. De precieze oorzaak hiervan kan, ten slotte, enkel nagespeurd worden vanuit de derde, ethisch-esthetische invalshoek. Doorheen de 20ste eeuw werd de historische EMR in toenemende mate ervaren als een verhaal zonder einde, omdat zij er niet in slaagde de Britse, sc. Engelse identiteit (ethos) te vertalen in een distinctieve nationale toonspraak (aesthesis) en haar brahmsiaanse compositiestijl (aesthesis) geenszins bijdroeg tot de ontwikkeling van een onvervalste Britishness, sc. Englishness (ethos). Aldus viel de notie ‘renaissance’ ten prooi aan semantische entropie en begon zij een muziekhistorische carrière als melioratief binnen een dichotomie met het pejoratieve ‘Land-without-music’.

Het eerste en laatste lid van onze werktitel verwijst naar de conservatieve, bijna reactionaire houding van de EMR, wars als zij was van imperialistische vulgariteit en uitermate allergisch voor het vigerende utilitarisme. Overtuigd van de Teutoonse verwantschap tussen het Engelse en Duitse ras en beïnvloed door het evolutionisme van Spencer, vertrouwden de revivalisten erop dat het beste uit het Britse muzikale erfgoed (kunst- én volksmuziek), verrijkt door klassiek-romantische Verinnerlichung, een muzikaal idioom zou voortbrengen dat paste bij het Britse multi-ethnische en multinationale ethos. In plaats van vooruit te kijken en de komst van een ‘prometheïsche’, vooruit-denkende Leider voor te bereiden, wachtten zij op een ‘epimetheïsch’, ‘her-denkend’ Genius, dat vanzelf zou voortspruiten uit de ‘geteutonizeerde’ vaderlandse bodem.
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Musicology, Leuven

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.