ITEM METADATA RECORD
Title: "Als landbouw en platteland niet meer samenvallen" De Landelijke Gilden, Vlaanderen 1950-1990
Other Titles: "When agriculture and rurality no longer coincide" The Rural Guilds, Flanders 1950-1990
Authors: Bisschop, Chantal
Issue Date: 5-Sep-2012
Abstract: <w:latentstyles deflockedstate="false" defunhidewhenused="true"  <w:lsdexception="" locked="false" priority="0" semihidden="false" “als="" landbouw="" en="" platteland="" niet="" meer="" samenvallen”="" de="" landelijke="" gilden,="" vlaanderen="" 1950-1990de="" machtige="" landbouworganisaties="" die="" op="" het="" einde="" van="" negentiende="" eeuw="" in="" west-europa="" ontstonden,="" kregen="" na="" tweede="" wereldoorlog="" toenemende="" mate="" te="" maken="" met="" een="" sterk="" veranderende="" landbouw- én="" plattelandscontext.="" transformatie="" tussen="" 1950="" 1990="" boerenbond,="" belangrijkste="" landbouworganisatie="" vlaanderen,="" geldt="" dit="" onderzoek="" als="" interessante="" casus="" voor="" omgang="" ‘klassieke’="" sociale="" beweging="" wijzigende="" maatschappij.="" oprichting="" 1971en="" openstelling="" organisatie="" hele="" rurale="" bevolking="" is="" opmerkelijk="" voorbeeld="" aanpassingsvermogen="" deze="" gevestigde="" landbouworganisatie.="" proefschrift="" staan="" vooral="" institutioneel="" deel="" boerenbond="" centraal.om="" onderzoeken="" hoe="" zich="" ‘oude’="" gedegen="" weg="" zocht="" moderne="" tijd,="" hanteer="" ik="" tweeledige="" vraagstelling.="" enerzijds="" focus="" interactie="" zijn="" omgeving="" effect="" daarvan="" evolutie="" organisatiestructuren.="" anderzijds="" beleving="" betekenisgeving="" boerenbondactoren="" aan="" veranderingsprocessen="" hun="" bredere="" maatschappelijke="" context="" dat="" zowel="" niveau="" leiding="" personeel="" leden.="" analyse="" schriftelijke="" mondelinge="" bronnen="" sluit="" rechtstreeks="" bij="" tweevoudige="" vraagstelling="" beoogde="" resultaten="" over="" wisselwerking="" structuren="" actoren.De machtige landbouworganisaties die op het einde van de negentiende eeuw in West-Europa ontstonden, kregen na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate te maken met een sterk veranderende landbouw- én plattelandscontext. De transformatie tussen 1950 en 1990 van de Boerenbond, de belangrijkste landbouworganisatie in Vlaanderen, geldt in dit onderzoek als een interessante casus voor de omgang van een ‘klassieke’ sociale beweging met een sterk wijzigende maatschappij. De oprichting van de Landelijke Beweging in 1971 en de openstelling van de organisatie voor de hele rurale bevolking is een opmerkelijk voorbeeld van het aanpassingsvermogen van deze gevestigde landbouworganisatie. In dit proefschrift staan vooral de Landelijke Gilden, als institutioneel deel van de Landelijke Beweging van de Boerenbond centraal.Om te onderzoeken hoe de Boerenbond zich als ‘oude’ gedegen organisatie een weg zocht in een moderne tijd, hanteer ik een tweeledige vraagstelling. Enerzijds focus ik op de interactie tussen de Boerenbond en zijn omgeving en het effect daarvan op de evolutie van de organisatiestructuren. Anderzijds onderzoek ik de beleving en betekenisgeving van de Boerenbondactoren aan de veranderingsprocessen in hun organisatie en de bredere maatschappelijke context en dat zowel op het niveau van de leiding en het personeel als op hetniveau van de leden. De analyse van zowel schriftelijke als mondelinge bronnen sluit rechtstreeks aan bij de tweevoudige vraagstelling en de beoogde resultaten over de wisselwerking tussen structuren en actoren. Tot na de Tweede Wereldoorlog stond het merendeel van de activiteiten van de Boerenbond rechtstreeks in het teken van de landbouw, in tegenstelling tot de Boerinnenbond en de jeugdafdelingen. De oprichting van de Kultuurdienst in 1957 zorgde ervoor dat de Boerenbond stilaan meer aandacht kreeg voor culturele vorming en ‘de boer als mens’. Hoewel de werkelijke impact van de Kultuurdienst relatief beperkt was, kan de dienst op een bepaalde manier als een voorafspiegeling van de latere Landelijke Gilden worden gezien.Het herstructureringsproces dat in de tweede helft van de jaren 1960 werd opgestart, vertrok echter niet vanuit een toenemende culturele gevoeligheid maar integendeel vanuit een duidelijke bekommernis om de organisatiestructuren aan te passen aan de snel wijzigende agrarische context. Het waren vooral de krimpende boerenbevolking, de uitholling van het ledenbestand door papieren lidmaatschappen, de beginnende specialisatietendens en de concurrentie van de nieuwe landbouworganisatie ABS (1962) die de Boerenbond tot zelfreflectie aanzetten. Tijdens het herstructureringsproces viel de keuze op de ‘dualistische optie’ (gemengde gilden geflankeerd door gespecialiseerde vakgroepen) boven de ‘monistische optie’ (gespecialiseerde gilden). De grootste ‘economische afdelingen’ van de Boerenbond, zoals CERA, ABB en AVEVE, wilden zo de uitbreiding van hun invloedssfeer naar de bredere plattelandsbevolking vereenvoudigen. Met het oog op de evoluties binnen de Boerinnenbond en de Katholieke Landelijke Jeugd (KLJ) bleek de dualistische optie bovendien het meest geschikt om de eenheid in de hele Boerenbond te behouden. De uiteindelijke splitsing van de ledenstructuur in een beroepsorganisatie met bedrijfsgilden, Agra- en Groene Kringen enerzijds, en een Landelijke Beweging met landelijke gilden, KVLV- en KLJ-afdelingen anderzijds, was zowel het eindpunt van een herstructureringsproces als het begin van een – minstens even lang durend- implementatieproces.De twee volgende decennia stonden voor de Landelijke Gilden in het teken van de zoektocht naar een eigen identiteit en werking. Het opstarten van de Landelijke Gilden vereiste bijvoorbeeld op verschillende niveaus een grondige mentaliteitswijziging, wat veel tijd en overtuigingskracht kostte. In het midden van de jaren 1970 waren velen in de Boerenbond ervan overtuigd dat de Landelijke Gilden een slechte start hadden genomen. De achteruitgang in de ledencijfers, de weerstand tegen de opname van niet-boeren en de twijfels van de besturen wezen alle op dezelfde grondtendens: van een stijgende bewustwording van de eigen mogelijkheden en groei van activiteiten was nog lang geen sprake. De inhoud of toekomst van de Landelijke Gilden was in de voorbereiding van de herstructurering nauwelijks aan bod gekomen. Het resultaat was weinig meer dan een lege doos die dringend inhoud moest krijgen.Vanaf het midden van de jaren 1970 kondigden een aantal nieuwe initiatieven en gebeurtenissen een voorzichtige kentering aan. De lege doos werd inhoudelijk opgevuld door een meer onderbouwde aanpak op het vlak van activiteiten en politieke stellingname en een ernstige kadervorming op verschillende niveaus. Dankzij het decreet op het Nederlandstalig sociaal-cultureel vormingswerk voor volwassenen in verenigingsverband van 4 juli 1975 konden de Landelijke Gilden voor het eerst fulltime animatoren inzetten voor hun werking. Het Jaar van het Dorp (1978), een overheidsinitiatief dat grotendeels werd aangestuurd door de Boerenbond, was het grote vertrekpunt van de Landelijke Gilden. Nadien kenmerkte de werking zich door een professioneler ledenbestand, een doorgedreven aandacht voor plattelandsbeleid en een meer actiegerichte en gediversifieerde werking. Toch was er vanaf het midden van de jaren 1980 tevens een introspectieve stemming te ontdekken door een samenspel van externe en interne uitdagingen. Om de steeds sterker wordende concurrentie van de commerciële vrijetijdsmarkt en eendimensionale ontspannings- en vormingsorganisaties tegen te gaan, concentreerden de Landelijke Gilden zich voortaan op doelgroepen- en ‘interessewerking’.De zoektocht van de Landelijke Gilden naar een eigen identiteit in de jaren 1970 en 1980 was volledig verweven met de reflectie over de eigen plaats in het veranderende platteland. Door hun visie op ruraliteit vast te leggen en te institutionaliseren, namen de Landelijke Gilden deel aan de discursieve strijd om het platteland. Het meest opvallende voorbeeld daarvan was het Jaar van het Dorp (1978) waarin ze ijverden voor respect voor de rurale eigenheid of authenticiteit, wat de facto landbouw betekende. Andere rurale functies werden niet ontkend, maar wel ondergeschikt geacht aan de ontwikkeling van de Vlaamse landbouw.De veranderingen in de Boerenbond gebeurden in interactie met verschillende externe maatschappelijke evoluties. Vijf achtergronden speelden een belangrijke rol in de transformatie van de Boerenbond en de Landelijke Gilden. Ten eerste was de snel evoluerende landbouwsector de belangrijkste reden voor het opstarten van het herstructureringsproces in de jaren 1960. Ten tweede had de wijzigende maatschappelijke invloed van de Kerk en het christendom in Vlaanderen duidelijk zijn invloed op de herstructurering van de Boerenbond. De afzwakking van het confessionele karakter en de bevestiging van het christelijke karakter van de Boerenbond sloot aan bij de algemene overgang van kerks katholicisme naar sociaal-culturele christenheid van de jaren 1960 en 1970. Hoewel de invloed van de proosten in de Boerenbondorganisatie parallel met de secularisering van de maatschappij geleidelijk aan afnam, stond de christelijke basis nooit fundamenteel ter discussie. Ten derde waren de transformaties in de Boerenbond ook ingebed in de evolutie van het sociaal-cultureel vormingswerk en de rurale sociologie. Maar, ten vierde, in essentie schuilden vaak economische motieven achter de belangrijkste structuurwijzigingen en beslissingen. De keuze voor de uitbreiding naar de hele rurale bevolking werd bijvoorbeeld zeker en vast ook uit commerciële overwegingen gemaakt. Door deze verbreding van het cliënteel slaagde de Boerenbond er trouwens sterker in om zijn ‘economische afdelingen’ aan zich te verbinden dan bijvoorbeeld de Nederlandse landbouworganisaties. Ten slotte kunnen de transformaties van de Boerenbond niet los gezien worden van de algemeen politiek-maatschappelijke context. De uitbreiding naar de hele rurale bevolking was duidelijk een strategische keuze van de Boerenbond om zijn politieke draagvlak – met het zicht op de krimpende agrarische bevolking – niet te verliezen en zelfs uit te breiden.De Boerenbond kan niet los gezien worden van de individuen die de organisatie tot leven brengen. Een aantal sleutelfiguren uit de leiding van de Boerenbond speelden een doorslaggevende rol en kunnen als de ‘architect’ en ‘aannemer’ van de herstructurering’ worden beschouwd. Zij bepaalden grotendeels de strategieën en schreven als het ware het ‘script’ van de herstructurering. De stafmedewerkers van het eerste uur gaven vanuit Leuven vorm aan de Landelijke Gilden. Zij bewerkten ‘backstage’ in Leuven het ‘script’. De opzieners en latere animatoren trokken als ‘regisseurs’ van dorp tot dorp om het ‘script’ zo goed mogelijk tot uitvoering te brengen. ‘Frontstage’ improviseerden zij met de aanwijzingen uit Leuven en pasten zij verschillende ‘tactieken’ toe, aangepast aan lokale gilden en omstandigheden. Op sommige plaatsen bleek het ‘stuk’ een succes, in andere dorpen moesten ze improviseren met de beschikbare middelen en mankracht en soms was het een regelrecht fiasco. De lokale basis van de Boerenbond waren de ‘acteurs’ die met behulp van de opzieners het ‘spel opvoerden’, maar ook zelf aanwijzingen konden geven of veranderingen konden inbrengen. Net als het concept platteland benaderde ik de Boerenbond als een subjectief-mentale constructie die voor verschillende mensen op verschillende momenten iets anders kon betekenen. Extern fungeerde de term Landelijke Beweging vooral als een politiek instrument om meer gewicht in de schaal te kunnen leggen. Aan de basis werd de notie weinig gebruikt. Intern diende de Landelijke Beweging vooral als institutionele term in organigrammen en schema’s. Niettemin was het een zwaar beladen begrip. Kort na de herstructurering claimde de Boerenbond voortdurend de term Landelijke Beweging in allerhande documenten en verhief zijn gilden tot een pars pro toto. Als onderdeel van de gevestigde machtsstructuur van de ‘oude’ Boerenbond, waren de meesten in de verschillende ‘Boerenbondafdelingen’ overtuigd van de sociale, politieke en economische ‘dienende’ functie van de Landelijke Beweging ten opzichte van de beroepsorganisatie. De Landelijke Gilden waren in dat opzicht niet meer dan een sympathisantenscherm rond de steeds kleiner wordende boerenstand. In de jaren 1970 profileerden de Landelijke Gilden zich in lijn met het decreet als een vormingsbeweging. Daarnaast stelden ze zichzelf voor als een zinvol en christelijk alternatief voor de nieuwe sociale bewegingen die volgens hen ook op zoek waren naar een wereld met menselijker verhoudingen. In de jaren 1980 lag het vormingswerk meer onder vuur en karakteriseerden de Landelijke Gilden zich niet langer als een vormingsbeweging, maar als een plattelandsbeweging. Organisatiesociologen Göran Ahrne en Apostolis Papakostas stellen dat gevestigde organisaties zich traag aanpassen aan een evoluerende omgeving door zo weinig mogelijk te veranderen, maar tegelijkertijd zichzelf steeds te vernieuwen. De Boerenbond is hiervan een goed voorbeeld: hij gelijkt op een tanker die moeilijk van zijn koers te brengen is, maar toch beetje bij beetje zijn richting weet bij te stellen.In het hele herstructureringsproces van de jaren 1960 en 1970 droegen de landbouw en de zorg voor de boer als bedrijfsleider alle prioriteit. De oprichting van de Landelijke Beweging was als een ‘neveneffect’ van de herstructurering die vooral gericht was op de aanpassing van de oude organisatiestructuren aan de moderne landbouw. De Landelijke Beweging verscheen en cours de route als oplossing voor een aantal problemen die de modernisering van de beroepsstructuur met zich meebracht. De omvorming van boerengilden naar landelijke gilden bleek een uitstekende manier om het plaatselijke uitgebouwd netwerk te blijven benutten en de sociale, politieke en economische invloedssfeer te behouden, zeker met het oog op de krimpende landbouwbevolking. In het opkomende sociaal-cultureel werk voor volwassenen vond Hinnekens een zinvolle én verdedigbare reden voor de uitbreiding van de invloedssfeer naar de hele plattelandsbevolking. Bij de voorstelling van de nieuwe structuur in 1971 werd opvallend veel nadruk gelegd op de sterke continuïteit met het verleden als verantwoording van de innovaties in de organisatiestructuur. De kern van een organisatie, in het geval van de Boerenbond ‘de landbouw’, is het allermoeilijkst om te wijzigen. Om deze kern te kunnen behouden in een veranderende omgeving, kan een organisatie bijvoorbeeld nieuwe activiteiten toevoegen die gelijkenissen tonen met wat al aanwezig was. Wat op het eerste gezicht een diepgaande koersverandering lijkt, kan ook worden geïdentificeerd als een strategie om met een miniem aantal aanpassingen te kunnen blijven functioneren in een veranderende wereld. De herstructurering was een verandering om in wezen zo veel mogelijk zichzelf te blijven. De Boerenbond paste zich aan het post-conciliaire tijdperk aan door te deklerikaliseren om christelijk te blijven. Op dezelfde manier werd rekening gehouden met de contestatiegolf van het einde van de jaren 1960. De organisatie ontwierp een meer democratische besluitvormingsstructuur om haar politieke, economische en sociale macht zoveel mogelijk te behouden. De werking werd gediversifieerd om de eenheid te bewaren en zowel de activiteiten als het ledenbestand werden uitgebreid en opengetrokken om de kern, de boeren, te kunnen behouden. De herstructurering deed de Boerenbond er van buitenuit dan wel helemaal anders uitzien, de kern bleef fundamenteel ongewijzigd.Ook na 1971 bleef de Boerenbond en in zijn zog de Landelijke Gilden dezelfde strategie aanhouden. Het aantrekken van nieuwe leden gebeurde bijvoorbeeld volgens een uiterst behoedzame strategie om te vermijden dat de nieuwe niet-boeren (de periferie) zich tegen de landbouw (de kern) zouden keren. Het doel was om de ‘eigen soort’ met nieuwe input te verrijken zonder dat de eigen identiteit werd ondergraven.De Landelijke Gilden en bij uitbreiding de hele Boerenbond slaagden erin zich aan te passen aan een veranderende omgeving door het toenmalige dominante discours te integreren en de weg in te slaan die het ‘voordeligst’ bleek voor de organisatie. In de jaren 1970 was dat het sociocultureel vormingswerk en het ‘decreet-discours’. In de jaren 1980 incorporeerden de Landelijke Gilden dan weer gedeelten van het neoliberale tijdsklimaat door de nadruk te leggen op interesse- en doelgroepenwerking, materiële voordelen en leden als klanten. Het voortdurende benadrukken van de eigenheid ging dus hand in hand met het ‘eigen maken’ van zaken die op dat moment maatschappelijk het best aansloegen. Het vlegeldorsen is een typisch voorbeeld van de manier waarop de Landelijke Gilden, en bij uitbreiding de hele Boerenbond, nieuwe trends en evoluties oppikten en poogden een plaats te geven in de eigen organisatie. In de termen van Ahrne en Papakostas: de Boerenbond detecteerde snel en efficiënt open spaces en bezette die voor een andere organisatie ermee aan de haal kon gaan. Steeds kwam het er op aan om als eerste een open gekomen of nieuw veld te bezetten of te reserveren en dat zich vervolgens eigen te maken en het uiteindelijk te presenteren als ‘typisch’ voor en dus ‘van’ de Landelijke Gilden.Ondanks het dalende ledenaantal slaagde de Boerenbond er met de herstructurering en de oprichting van de Landelijke Gilden toch in om een intern verdedigbaar en extern haalbaar antwoord te vinden op zowel het veranderende platteland als de evoluerende landbouw. De Boerenbond slaagde erin om zichzelf doeltreffend om te vormen en zich zo te onderscheiden van buitenlandse initiatieven. Andere boerenorganisaties in West-Europa hadden met een beduidend groter ledenverlies te kampen. Door het aantrekken van niet-boeren kon duidelijk het effect van de dalende agrarische beroepsbevolking worden beperkt. Bovendien slaagde de Boerenbond er ook in om de meerderheid van de Vlaamse landbouwers, ondanks hun veranderd profiel, aan te trekken en zo de meest representatieve syndicale landbouworganisatie in Vlaanderen te blijven. De geschiedenis van deze ‘oude’ corporatistische en katholieke Boerenbond die een Landelijke Beweging opzet voor alle plattelandsbewoners, is een unieke case in West-Europa.Voor het onderzoek naar de omgang van een ‘oude’ sociale beweging met de sterk veranderende plattelandsmaatschappij in de jaren 1960-1970-1980 was de Boerenbond een interessante casus. Van bij zijn ontstaan maakte de Boerenbond deel uit van een bredere sociale en agrarische bewogenheid in West-Europa. Daarom beschouwde ik de Boerenbond hier als een deel van de oude agrarische beweging. Kenmerkend voor dergelijke ‘oude’ of ‘klassieke’ sociale bewegingen waren onder meer de hiërarchische opbouw, de professionele leiders, de snelle incorporatie in de gevestigde machtsmechanismen en de sterke band met één partij, in het geval van de Boerenbond de CVP. In het laatste kwart van de twintigste eeuw ontstonden heel wat nieuwe rurale bewegingen als reactie op de snelle veranderingen van het platteland. Deze meer fluïde polycentrische groeperingen ontstonden van onderuit. Op het moment dat er verschillende nieuwe sociale bewegingen ontstonden in Vlaanderen, transformeerde de Boerenbond zichzelf van een zuivere landbouwersorganisaties naar een bredere plattelandsbeweging. Op die manier kon de Boerenbond zich, als deel van de oude agrarische beweging, ten dele inschrijven in de nieuwere rurale beweging. Inhoudelijk en thematisch gezien zouden de Landelijke Gilden van de Boerenbond perfect in de nieuwe rurale beweging kunnen worden ondergebracht. De manier waarop ze die rurale identiteit performden stond echter diametraal tegenover de werkwijze van die buitenlandse rurale bewegingen en leek veeleer aan te sluiten bij de ‘oude’ agrarische beweging. De Landelijke Gilden zijn volgens mij een paradoxale variant van deze nieuwe rurale beweging omdat ze op een unieke manier kenmerken van zowel de oude agrarische als de nieuwe rurale beweging in zich verenigen.
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Interfaculty Centre for Agrarian History
Modernity & Society 1800-2000 @ Leuven

Files in This Item:
File Status SizeFormat
DOCTORAAT_DEF_2012-06-26.pdf Published 5003KbAdobe PDFView/Open

These files are only available to some KU Leuven staff members

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.