ITEM METADATA RECORD
Title: Het Nieuwe Testament als fundament voor het dogma van de Drie-eenheid van God. Een Bijbeltheologisch onderzoek naar taal- en denkstructuren over de Vader, de Zoon en de Geest in het Johannesevangelie
Other Titles: Het Nieuwe Testament als fundament voor het dogma van de Drie-eenheid van God. Een Bijbeltheologisch onderzoek naar taal- en denkstructuren over de Vader, de Zoon en de Geest in het Johannesevangelie
Authors: Steegen, Martijn
Issue Date: 27-Feb-2012
Abstract: Op welke wijze kan een theologisch geïnspireerde exegese zich ervoor behoeden om de eigen theologische denkbeelden, die onmogelijk tot de verstaanshorizon van de nieuwtestamentische auteurs hebben behoord, op te leggen aan het Nieuwe Testament? Vaak leidt deze werkwijze immers tot eenzijdige en kortzichtige interpretaties, indien men de rijke diversiteit aan theologische opvattingen in de verschillende nieuwtestamentische geschriften kunstmatig herleidt tot een theologische eenheid. De tendens in het huidige exegetisch onderzoek om het Nieuwe Testament al trinitaire denkpatronen toe te schrijven, is haast paradigmatisch voor een dergelijke theologisch geïnspireerde exegese. Omdat men in de nieuwtestamentische teksten vaak geen concrete aanduidingen terugvindt die illustreren dat de auteur al nadrukkelijk theologiseerde over de relatie tussen de Vader, de Zoon en de Geest, ziet men zich genoodzaakt om verder te reiken dan de feitelijke tekst en zoekt men naar bewijsmateriaal ‘onder’ of net ‘boven’ het tekstoppervlak. Vaak geeft deze avontuurlijke en creatieve exegese bovendien veel blijk van empathie voor datgene wat de auteur ‘werkelijk’ bedoelde te zeggen.In het proefschrift hebben we deze onderzoeksvraag in twee stappen behandeld. In een eerste deel, bestaande uit twee hoofdstukken, onderzochten en evalueerden we verschillende werkwijzen, waarop onze ‘voorgangers’ deze vraag hebben beantwoord. In een tweede deel, bestaande uit drie hoofdstukken, bestudeerden we de wijze waarop de vierde evangelist de Vader, de Zoon en de Geest tot elkaar in relatie stelt. Onze studie laat zich lezen als een tweeluik. De eerste twee hoofdstukken vormen voornamelijk het theologische luik (I). Daarna volgt het exegetische luik (II). Het theologische luik leverde ons de onderzoeksvraag op, waartoe we onze exegese moeten richten.Niettegenstaande de strenge kritieken, hebben we er toch voor gekozen om de belijdenis van God als de Drie-ene tot uitgangspunt van ons doctoraatsonderzoek te maken. De grote toevloed aan artikels over de relatie tussen het dogma van de Drie-eenheid van God en het Bijbelse getuigenis sinds de jaren negentig, toont de belangstelling die voor dit onderzoeksdomein bestaat. Deze artikelen zijn voornamelijk geschreven vanuit de overtuiging dat dit allesomvattende, christelijke geloofsmysterie, omwille van de grote aandacht die het geloofsmysterie opnieuw in de tweede helft van de 20ste eeuw kreeg, niet langer onbesproken kan blijven in de Bijbelexegese en in de Bijbelse theologieën. In de ‘trinitaire hermeneutiek’ gaat men op zoek naar voorstellingswijzen om de relatie tussen het Nieuwe Testament en het latere dogma van de Drie-eenheid tot uitdrukking te brengen. De vraag hoe men het Bijbelse getuigenis dient te lezen in het licht van een trinitaire goddelijke realiteit staat daarbij centraal.In het onderzoek naar de relatie tussen het nieuwtestamentische getuigenis en het dogma van de Drie-eenheid van God kan men voornamelijk twee bewegingen aanduiden. Enerzijds is er de historische vraag naar het bestaan van een wezenlijke band tussen de Bijbelse overlevering en de theologische reflecties over de drie-ene natuur van God, die pas na de nieuwtestamentische periode langzamerhand zouden kristalliseren tot leerstellingen. Anderzijds, echter, stelt men in de trinitaire hermeneutiek ook de vraag naar de mogelijkheid van een relecture van het Bijbelse getuigenis in het licht van de latere belijdenis van God als de Drie-ene. Indien God zich immers heeft laten kennen als de Drie-ene, dient dit dan ook geen rol te spelen in de wijze waarop men het Nieuwe Testament leest? Deze vraagstelling beschouwen voorstanders van een trinitaire hermeneutiek als hun belangrijkste onderzoeksvraag. De eerste beweging in het onderzoek van de trinitaire hermeneutiek mag dan wel evident zijn, de tweede is dat heel wat minder. Een poging ondernemen om een trinitaire logica aan te duiden in de nieuwtestamentische geschriften wordt al vlug afgeschreven als een anachronistische en eisegetische lezing, die aspecten van de vierde-eeuwse leerstellingen aan de tekst tracht op te dringen. Binnen de historisch-kritische exegese aanvaardt men dat bepaalde passages uit het Nieuwe Testament een grote invloed hadden op de vormgeving van de latere trinitaire leerstellingen. Over de wijze waarop men de relatie tussen het bijbelse getuigenis en het dogma van de Drie-eenheid van God dient te bestuderen, bestaat er echter heel wat minder eensgezindheid. Historisch-kritische exegeten verzetten zich volgens ons terecht tegen dergelijke pogingen om het nieuwtestamentische getuigenis te herlezen vanuit de latere kerkelijke leerstellingen. Het discours over God als de Drie-ene behoort nu eenmaal niet tot het Bijbelse taalgebruik. Het komt de exegeet toe om de tekst ‘te beschermen’. Hij of zij moet de grenzen van de geldige interpretatie aanduiden en erover waken dat men geen vreemde concepten en denkwijzen aan de tekst oplegt, die fundamenteel tegengesteld zijn aan de religieuze beleving van de nieuwtestamentische auteurs. De lezer die binnen dit interpretatiekader blijft, kan zich de tekst op gepaste wijze toe-eigenen. In het tweede hoofdstuk hebben we, aan de hand van inzichten uit de recente filosofische hermeneutiek, toch ook gewezen op de grenzen van de historisch-kritische methode. Door de exclusieve concentratie op deze methode en door de historische objectiviteit als enige maatstaf voor de interpretatie van de tekst te beschouwen, verbindt de exegeet de interpretatie enkel met de beschreven historische omstandigheden waarin de tekst ontstond. Een exegese die zich uitsluitend laat aandrijven door de historisch-kritische methode, wordt verweten geen aandacht te hebben voor de doorwerking van de in de tekst verwoorde gedachterichting.Onze onderzoeksvraag heeft ons diep in het spanningsveld tussen exegese en theologie gebracht. De historisch-kritische exegese beschouwt de tekst als ‘venster’. Het gunt de lezer een blik op het verleden. De theologische lezing beschouwt de tekst als een ‘icoon’ – als symbolische vindplaats voor God –, die de ervaring van de lezer niet enkel overstijgt, maar ook openbreekt en tot nieuwe ervaringen aanzet. Recente inzichten van de filosofische hermeneutiek hebben ons geholpen om deze spanning tussen beide disciplines om te buigen tot een creatieve stimulans. De ‘inhoud’ van de tekst laat zich niet opsluiten binnen de grenzen van de historische geconditioneerdheid, maar is een ‘transcendentale realiteit’. De tekst is geen statisch medium met een heldere en eenduidige boodschap, maar is dynamisch. De betekenis van een tekst wordt m.a.w. bepaald door het samenspel tussen ‘de wereld van de tekst’ en ‘de wereld van de lezer’. Hierdoor is het interpretatieproces een open, steeds continuerend proces. Toch geeft de historische-kritische exegese de lezer ook een belangrijke waarschuwing mee. Door de betekenis zo nadrukkelijk te verankeren in de geschiedenis, beklemtoont ze immers dat de incarnatie van het Woord van God concreet plaatsgevonden heeft in tijd en ruimte en per definitie ook tijdsgebonden is. De christelijke godsopenbaring is met andere woorden fundamenteel verworteld met de geschiedenis van mensen. De wereldse realiteit wordt zo beschouwd als de symbolische vindplaats voor de ontmoeting met God. Te midden van deze spanning tussen exegese en theologie staan, betekent dat men zich ervoor behoedt om de historische dimensie van de tekst te laten primeren op de theologische of omgekeerd. Voor ons onderzoek naar de wijze waarop het nieuwtestamentische getuigenis als fundament voor de doctrine van de Drie-eenheid functioneert, betekent dit dat de oplossing niet besloten ligt in de ontwikkeling van een ingewikkelde methode. Integendeel, de benadering van de bijbeltekst als symbool stelt ons in staat om oog te hebben voor de onverwoordbare realiteit die in de historisch geconditioneerde tekst wordt aangeraakt. De openbaring van God als de Drie-ene wordt zo niet langer opgedrongen aan de feitelijke bijbeltekst, zoals voorstanders van de trinitaire hermeneutiek dit plegen te doen. Toch stelt deze benadering ons in staat om het Nieuwe Testament reeds als fundament voor de doctrine te beschouwen, ook al toont dit nog geen concrete sporen van een trinitaire logica. De betekenis van de tekst – als symbool – staat immers van bij aanvang open voor verdere betekenisontwikkelingen. Want net in het samenspel tussen de onverwoordbare realiteit, aanwezig gesteld door de tekst, en de lezer vindt de openbaring plaats. De betekenisinhoud van de evangelietekst overstijgt dus in verregaande mate de historische geconditioneerdheid van het ‘ooggetuigenverslag’.De bevindingen van deze theologische reflectie in het eerste en tweede hoofdstuk over de wijze waarop het Nieuwe Testament als fundament voor latere leerstellingen kan beschouwd worden, bepaalden in verregaande mate de aard van onze exegetische vraagstelling in het tweede luik. Integenstelling tot de huidige tendens in de trinitaire hermeneutiek, vonden we het niet toereikend om in het Johannesevangelie al patronen van een trinitaire logica te onderscheiden. Deze werkwijze is er toch voornamelijk op gericht om de tekst overeenkomsten te doen tonen met de latere trinitaire leerstellingen. Daarom was het noodzakelijk om de wijze waarop de vierde evangelist de eenheid tussen God en Jezus ontwikkelt, te onderzoeken. Onze voorstudie van Joh 3,34 (“Want Hij die door God gezonden werd, spreekt de woorden van God, die zo mateloos de Geest schenkt”) heeft aangetoond dat de wijze waarop voornamelijk de Geest zich verhoudt tot de relatie tussen God en Jezus onduidelijk is. Tegelijkertijd, echter, toont deze ambiguïteit in het vers met betrekking tot het onderwerp van diegene ‘die mateloos de Geest schenkt’ –– volgens ons wel de intensiteit van de eenheid tussen Jezus en God. Een eenheid die we in het vierde hoofdstuk gekarakteriseerd hebben als een ‘eenheid in onderscheid’. De krachtige metaforen ‘vader’ en ‘zoon’ die de johanneïsche Jezus gebruikt in Joh 5,19-30 om zijn relatie met God te verduidelijken als reactie op het Joodse verwijt dat hij zichzelf met God op gelijk voetstuk stelt (5,18), illustreert dit op treffende wijze. Aan de hand van dit verwijt klagen de Joden aan dat Jezus zich het voorrecht toe-eigent om te werken op de sabbat door te verwijzen naar God, die ook ononderbroken werkt (5,17). Het blasfemische karakter van de uitspraak van Jezus situeert zich volgens ons niet zozeer in het feit dat hij God benoemt als ‘Vader’, maar in het feit dat hij naar God verwijst als ‘zijn Vader’ (oJ pathvr mou). Het is zijn unieke band met de Vader, die hem toestaat om op de sabbat te werken. Voorop staat dus de unieke relatie die Jezus tot God heeft en niet zozeer – zoals verondersteld wordt door een meerderheid van commentatoren – een dogmatische uitspraak over Jezus’ goddelijke natuur. Het verhaal van de aanbidding van Jezus als ‘de Mensenzoon’ door de blindgeborene in Joh 9,35-38 heeft ons in staat gesteld om de wijze toe te lichten waarop de evangelist deze unieke relatie tussen de Zoon en de Vader begrijpt. Men zou de geloofsact van de blindgeborene verkeerdelijk kunnen begrijpen als een verering van Jezus als was hij God – de stellingname van o.a. Larry W. Hurtado. Indien men het Johannesevangelie echter leest als een literaire eenheid en voldoende rekening houdt met het intertekstuele spel dat de evangelist speelt tussen de verschillende onderdelen van zijn evangelie, dan moet men bij interpretatie van de aanbidding door de blindgeborene rekening houden met de bijzondere betekenis die de johanneïsche Jezus aan het werkwoord ‘aanbidden’ (proskunevw) geeft in het gesprek met de Samaritaanse (4,22-24). Ware aanbidding komt alleen toe aan God. Jezus’ zelfopenbaring als ‘de Mensenzoon’ verwijst dan volgens onze lezing ook niet naar zijn optreden als was hij divine-like, maar naar zijn openbarende taak. De evangelist was er in eerste instantie dus niet op uit om Jezus voor te stellen als ‘een over de aarde schrijdende God’, maar wel om Jezus’ mens-zijn voor te stellen als de nieuwe en enige plaats waar men tot waarachtige Godsontmoeting komt. Voor Johannes is de Geest in tegenstelling tot de synoptici niet langer een onpersoonlijke, goddelijke kracht. De term Parakleet begrepen we daarom in het vijfde hoofdstuk voornamelijk als het resultaat van een johanneïsche reflectie op het functioneren van de Geest. De paravklhto" is een sterke metafoor om de oprichtende en hernieuwende kracht die van de Geest uitgaat, te beklemtonen. De rol van de johanneïsche Geest als diegene die de leerlingen Jezus’ boodschap indachtig maakt, maar hen ook zal begeleiden in nieuwe ervaringen, laat zich verbinden met de hermeneutische beginselen uit ons tweede hoofdstuk. De Geest begeleidt de johanneïsche geloofsgemeenschap in de dialectiek tussen verleden en heden. Deze dialectiek kenmerkt het johanneïsche openbaringsconcept ten diepste. De steeds groeiende tijdsafstand tussen het aardse optreden van Jezus en de latere generaties van gelovigen wordt zo – paradoxaal – nooit groter. Als gave van de gestorven en verrezen Heer brengt de Geest elke generatie van gelovigen opnieuw even dicht bij de verheerlijkte Jezus als waren het zijn toenmalige leerlingen. Telkens nieuwe inspiratie en herinterpretatie van het verleden worden samengebonden in de dynamiek van de creatieve geloofservaring. Er vindt een dynamische interactie plaats tussen de oorspronkelijke verkondiging en het door de Geest geïnspireerde antwoord vanuit telkens veranderende leefwerelden. Op dezelfde wijze begrijpen we de relatie tussen het johanneïsche getuigenis en de latere leerstellingen over de Drie-eenheid van God. Deze leerstellingen gelden als een nieuwe stap in de openbaring, maar betekenen tegelijkertijd toch ook een verdieping van het johanneïsche getuigenis. Door de herinterpretatie van het geloofsgetuigenis, dat nog geen sporen bevat van een uitgewerkte trinitaire logica, komen nieuwe betekenissen tot stand. Net hieruit bestaat de dynamische en symbolische kracht van de tekst en het geïnspireerde lezen, waarvan de vierde evangelist zich overigens reeds zeer bewust was. Op het einde van zijn evangelie schrijft Johannes immers dat hij uit de vele tekenen die Jezus verrichtte, er een aantal heeft neergeschreven opdat mensen zouden geloven “dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam” (20,30-31). De lezer wordt rechtstreeks aangesproken en uitgedaagd om door het evangelie te lezen zelf tot geloof te komen. Net zoals de historische Jezus de symbolische vindplaats was voor een ontmoeting tussen zijn leerlingen en de Vader, zo functioneert de tekstuele aanwezigheid van het johanneïsche ‘ooggetuigenis’, het evangelie, als dynamisch openbaringsmedium tussen God en alle toekomstige generaties van gelovigen. Het boek moet de lezer in staat stellen om actief deel te nemen aan het openbaringsgebeuren, waarover de evangelist in zijn evangelie bericht. Op die manier is de godsopenbaring niet langer enkel verbonden met de woorden en de daden van de historische Jezus. De vierde evangelist is ervan overtuigd dat een openbarende ontmoeting met God kan plaatsvinden, indien de lezer zich engageert met de tekst. Martijn Steegen
Table of Contents: Originaliteitsverklaring
Dankwoord
Inhoudstafel
Lijst met afkortingen
Bibliografie
I. Tekstuitgaven en Werkinstrumenten
II. Commentaren op het Johannesevangelie
III. Studies
Algemene Inleiding
Eerste luik
Hoofdstuk I: De doctrine van de Drie-eenheid van God. Bijbels gefundeerd?
Inleiding
I. Het ‘probleem’ van de Drie-eenheid van God
II. Drieledige formuleringen
1. Enkele sporen in de ontstaansgeschiedenis van de drieledige
formulering
2. ‘Drieledig’ of ‘trinitair’? Enkele definities
3. Enkele voorbeelden
3.1. Gaven, dienstverleningen en bijzondere krachten (1 Kor 12,4-6)
3.2. Genade, liefde en gemeenschap (2 Kor 13,13)
3.3. In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest (Mt 28,19)
3.4. De Geest, het water en het bloed (1 Joh 5,7-8)
4. Besluit
III. Trinitaire patronen
1. Een familiaal en sociaal trinitair motief

2. “Trinitätstheologische Denkstrukturen” als leessleutel voor het Johannesevangelie
3. Een ‘Bijbelse stuwing’ als rechtvaardiging voor de trinitaire lezing
3.1. David S. Yeago: ‘Judgments – Concepts’
3.2. C. Kavin Rowe: ‘Biblical Pressure’
4. Besluit
IV. Besluit: Een doctrine van de Drie-eenheid van God. Bijbels gefundeerd?
Hoofdstuk II: Het Nieuwe Testament als ‘fundament’ voor theologische reflectie
Inleiding
I. De eclips voorbij. Enkele tendensen in de ontwikkeling van de
triniteitstheologie
1. Enkele oorzaken voor de tanende interesse in de triniteitstheologie
2. Een ommekeer in de maak. De ‘renaissance’ van de triniteitstheologie
3. De economische Triniteit ‘is’ de immanente Triniteit, en omgekeerd
II. Enkele probleemvelden in het domein van de exegese en de systematische theologie
1. John A.T. Robinson: het dogma als misbruik van het
Bijbelse getuigenis
2. David Crump: Vader, Zoon en leerlingen
III. Een trinitaire hermeneutiek op het snijpunt tussen exegese en theologie
1. Exegese en theologie. Een relatie op gespannen voet
2. Te midden van de spanning. Spanning als creatieve stimulans
3. De ‘tekst’ als dynamisch medium
IV. Besluit
Tweede luik
Inleiding op het tweede luik
Hoofdstuk III: Joh 3,34 als voorstudie op de beschrijving van de relatie tussen Vader, Zoon en Geest in het vierde evangelie
Inleiding
I. ‘Geloof in zijn naam’. Joh 2,23-3,36 als een literaire en inhoudelijke
eenheid
1. Joh 2,23-3,36 als literaire eenheid
2. Een beknopt inhoudelijke overzicht van Joh 2,23-3,30
3. Joh 3,31-36 als de johanneïsche oerverkondiging
II. Joh 3,34. Hij ‘die de Geest mateloos schenkt’
1. God, die zo mateloos de Geest schenkt
2. Jezus, die zo mateloos de Geest schenkt
3. Een theocentrische lezing van 3,34
III. Besluit
Hoofdstuk IV: De ‘eenheid’ tussen God en de johanneïsche Jezus. Als een vader en zoon ‘gelijk’
Inleiding
I. ‘Vader’ en ‘Zoon’ als metaforen in het vierde evangelie
1. Metaforisch taalgebruik in het vierde evangelie
2. ‘Vader’ en ‘Zoon’
2.1. De Vader
2.2. De Zoon
II. De relatie tussen Vader en Zoon in 5,19-30
1. Het verwijt van ‘de Joden’ in 5,18: ‘ison heauton poiôn tôi theôi’
2. Jezus’ antwoord op het joodse verwijt. Over zijn relatie met de Vader (cf. 5,19-30)
3. Besluit
III. “Gelooft u in de Mensenzoon” (Joh 9,35-39). De johanneïsche ‘Mensenzoon’ als manifestatie van God
1. Larry W. Hurtado: de verering van Jezus als God in het Nieuwe Testament
1.1. Een nieuwe ‘religionsgeschichtliche Schule’
1.2. Hurtado’s visie op de vroegchristelijke Christusdevotie. Over
mutaties en explosies
1.3. Een evaluatie van Hurtado’s hypothese met aandacht voor het
woordgebruik
2. De ‘aanbidding’ van de johanneïsche Mensenzoon in Joh 9,35-38
2.1. De tekstkritiek van Joh 9,38
2.1.1. Joh 9,38-39a als liturgische toevoeging
2.1.2. De tekstuele eenheid in 9,35-41 hersteld
2.2. De aanbidding van de Mensenzoon
2.3. Proskuneô in het Johannesevangelie. Meer dan een huldeblijk
2.3.1. Joh 9,38: de aanbidding van de johanneïsche Mensenzoon als God?
2.3.2. De johanneïsche Mensenzoon als diegene die God kenbaar maakt
2.3.3. Griekse heidenen kwamen op naar Jeruzalem om ‘te aanbidden’ (Joh 12,20)
2.4. Besluit
IV. Besluit
Hoofdstuk V: ‘De Geest’ in het Johannesevangelie. ‘Pneuma’ – ‘Paraklètos’
Inleiding
1. ‘Pneuma’ – ‘Paraklètos’
2. ‘Pneuma’ in Joh 1-12.18-20
3. ‘Paraklètos’ in de Afscheidsrede (Joh 13-17)
2.1. De herkomst van de term ‘paraklètos’
2.2. De vijf Parakleetspreuken
2.2.1. Joh 14,16-17
2.2.2. Joh 14,26
2.2.3. Joh 15,26-27
2.2.4. Joh 16,7-11
2.2.5. Joh 16,13-15
2.3. Enkele afsluitende beschouwingen bij de term ‘paraklètos’
II. ‘Mijn Vader’ en ‘uw Vader’. Joh 20,17 als verwijzing naar de rol van de Geest in een drievoudige gemeenschap
1. Joh 20,17 in het recente exegetische onderzoek
2. Johanneïsche redactionele activiteit in Joh 20,14-17
3. “Ik stijg op naar ‘mijn Vader’ die ook ‘jullie Vader’ is”. De Geest-Parakleet als ‘bindmiddel’ tussen de Vader, de Zoon en de leerlingen
III. Besluit
Algemeen Besluit
Stellingen
Samenvatting
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Centre for Women's Studies Theology
Research Unit Biblical Studies

Files in This Item:
File Status SizeFormat
Proefschrift_Martijn Steegen.pdf Published 2038KbAdobe PDFView/Open

These files are only available to some KU Leuven staff members

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.