ITEM METADATA RECORD
Title: Professional Services in the EU Internal Market : Quality Regulation and Self-Regulation.
Authors: Heremans, Tinne
Issue Date: 19-Mar-2010
Abstract: Wetenschappelijke samenvatting 1. Doelstelling van het onderzoek In 2004 lanceerde de Europese Commissie een mededingingsrechtelijk offen sief tegen de overgereguleerde sector van de professionele diensten/vrij e beroepen (“Monti-rapport” COM(2004) 83) in het kader van de beruchte L issabonstrategie die ondermeer tot doel had het economische potentieel v an de dienstensector ten volle te realiseren. Meer dan waarschijnlijk zu llen behalve de vrije beroepers weinig mensen hiervan wakker gelegen heb ben. De dreiging om het “monster” van de concurrentie los te laten in de ze sector gedomineerd door over het algemeen welgestelde en voorname bur gers veroorzaakte begrijpelijk heel wat minder beroering dan de toepassi ng van de Interne Markt logica op, bijvoorbeeld, collectieve acties door vakbonden[1]. Bovendien hebben diegenen die hierdoor geraakt werden, zijnde de vrije b eroepers, traditioneel een grote invloed in het politieke proces, zoals ondermeer geïllustreerd door hun succesvolle pogingen om zich aan de toe passing van verscheidene richtlijnen te onttrekken en om resoluties in h un voordeel door het Europees Parlement te laten aannemen. Aldus is het algemene beeld van beroepsgroepen als corporatistische lobbygroepen niet volledig ongegrond. Uiteraard zijn verscheidene historisch gegroeide be roepsregels fossielen die, in het beste geval, onaangepast zijn aan de h edendaagse maatschappelijke eisen, en, in het slechtste geval, enkel die nen om de financiële belangen van de beroepsgroep te beschermen. Waarom dan een doctoraat wijden aan dit fenomeen van professionele regul ering en aan de vraag hoe het Europese juridisch kader georganiseerd moe t zijn om een optimale professionele dienstverlening in de Interne Markt te garanderen? Kwaliteit – Ten eerste, zonder te beweren dat alle sociale fe nomenen noodzakelijk een nuttige functie vervullen, kan vastgesteld word en dat de markt voor professionele diensten wel degelijk bepaalde kenmer ken vertoont die niet mooi aansluiten bij de voorwaarden voor een welvaa rtscreërend competitief proces en die dus mogelijk pleiten voor enige vo orzichtigheid in het verwerpen van alle bestaande professionele reguleri ng als louter corporatisme. Inderdaad, de idee dat de (ongereguleerde) m arkt zelf steeds het beste tegemoetkomt aan de noden van de consument he eft aan evidentie ingeboet door de geleidelijke ontwikkeling van meer ve rfijnde inzichten in de verscheidene manieren waarop markten kunnen fale n. In deze tijden van financiële crisis waarin het vertrouwen in het mar ktmechanisme grondig op de proef gesteld wordt, vormt de markt voor prof essionele diensten dan ook een interessante casestudy om de mogelijkheid en de beperkingen voor het reguleren van markten te analyseren. Evenzo laat deze casestudy toe om na te gaan in hoeverre de traditionele Europe se economische rechtstakken (vrij verkeer en mededingingsrecht) in staat en bereid zijn om naast loutere prijslogica ook kwaliteitsoverwegingen in rekening te nemen. Zelfregulering – Daarenboven, ondanks het recente debacle in de marktdisciplinering van financiële diensten, blijft het potentieel en de beperkingen van zelfregulerende mechanismen zoals beroepsorganisatie s een intrigerend onderzoeksdomein. Inderdaad, hoewel het geloof in derg elijke sectorbetrokkenheid een serieuze deuk heeft gekregen, zou het te kortzichtig zijn om daarom elke mogelijkheid tot positieve bijdrage van zulke atypische regelgevende organisatievormen te verwerpen. Immers, tus sen pure zelfregulering en overheidsregulering pur sang zijn versch illende alternatieve modellen denkbaar die de voordelen van sectorexpert ise kunnen combineren met de juiste incentieven om welvaartsverlagend ge drag tegen te gaan. Bovendien creëert de “hybride” aard van dergelijke r egulerende organen nieuwe uitdagingen voor het recht op het vlak van het gewenste type en de strengheid van het rechterlijk toezicht. Inderdaad, de twee hoofdtakken van het Europese Interne Markt recht&amp;nbs p; lijken elk gemodelleerd op de verschillende types van risico’s d ie zijn verbonden aan publieke versus private maatregelen. Aldus richten de vrij verkeer regels zich op staatsmaatregelen en viseren de mededing ingsregels (Arts. 101 &amp; 102 VWEU) daarentegen private gedragingen. Niettemin test de wijdverspreide trend van een vervaging van de indeling tussen publiek – privaat de flexibiliteit en responsiviteit van he t Interne Markt rechtssysteem. Efficiënte allocatie van regulerende bevoegdheden in een “multi-level ” systeem – In de Europese context werpt de erkenning van de noo d aan regulering bovendien steeds de vraag op naar het optimale niveau v an besluitvorming. Inderdaad, hoewel het nastreven van een Europese Inte rne Markt op het eerste zicht zou lijken te pleiten voor uniforme regels inzake consumentenbescherming, mag dit niet zomaar als vanzelfsprekend worden aangenomen. Hoewel zowel de creatie van een zogenaamd “level-play ing field” als de grensoverschrijdende aard van talrijke problemen naar het gecentraliseerde Europese niveau wijzen, pleit de betere tegemoetkom ing op nationaal niveau aan heterogene voorkeuren evenals de positieve e ffecten van het experimenteren in “laboratoria voor beleidskeuzes en reg els” daarentegen voor besluitvorming op nationaal niveau. Aldus moet de balanceeroefening die besloten ligt in het devies “eenheid in verscheide nheid” serieus genomen worden Micro en macro onderzoeksvragen – De centrale onderzoeksvraag van deze doctoraatsthesis beoogt aldus te achterhalen “hoe een optimale voor ziening van professionele diensten in de Interne Markt kan worden gereal iseerd”, en tracht daarom na te gaan hoe het EU Interne Markt beleid het geschikte juridisch kader voor dergelijke diensten kan creëren. Zoals e erder gesteld, staat deze micro-niveau focus op het specifieke fenomeen van professionele diensten de bijdrage van deze doctoraatsthesis aan twe e andere macro-niveau debatten met betrekking tot, ten eerste, het regul eren van kwaliteit en, ten tweede, het groeiende beroep op bepaalde vorm en van zelfregulering, niet in de weg. Methodologie – Om deze vragen te beantwoorden, koos ik om de tradit ionele juridische benadering aan te vullen met een zogenaamde “recht en economie” benadering. In essentie komt de economische theorie op twee ma nieren deze analyse binnen. Ten eerste vereist de “traditionele “ juridi sche analyse uitgevoerd in deze thesis het in rekening nemen van de econ omische realiteit die aan de betreffende rechtsregels (nl. mededingingsr echt en vrij verkeer) ten grondslag liggen. Ten tweede, ten aanzien van de ambitieuzere onderzoeksvraag naar het optimale regelgevend kader voor professionele diensten in het EU “multi-level” systeem, kan micro-econo mie belangrijke methodologische bouwstenen leveren. Inderdaad, het versc haft niet alleen inzicht in de ratio voor beroepsregels en zelfregulerin g, maar kan ook helpen bij het vergelijken van alternatieve regels en in strumenten door hun incentief-effecten te voorspellen. 2. Structuur van de analyse Structuur – De belangrijkste eigenschappen die professionele dienst en onderscheiden zijn (1) de aanwezigheid van specifieke professionele ( kwaliteits) regulering in aanvulling op het algemene rechtskader en, (2) het grote aandeel van zelfregulering in de totstandkoming van deze rege ls. Deze hoofdkenmerken beïnvloeden in belangrijke mate de structuur van de analyse. Een eerste groot deel van deze doctoraatsthesis (PART I) zet het c onceptuele en theoretische kader uiteen waarbinnen het fenomeen van prof essionele dienstverlening in de Europese Interne Markt verder geanalysee rd zal worden. Na een korte beschrijvende analyse van de belangrijkste b egrippen (professionele diensten, professionele regulering en beroepsorg anisaties) wordt een meer diepgaande theoretische analyse uigevoerd vanu it rechtseconomisch perspectief. Aangezien deze thesis tracht een antwoord te bieden op de veelzijdige vr aag naar hoe een optimale voorziening van professionele diensten in de E uropese Interne Markt te voorzien, verduidelijkt het eerste hoofdstuk ko rt de concepten van professionele diensten, professionele regulering en beroepsorganisaties. Vervolgens onderzoekt een tweede hoofdstuk de potentiële economische rat ionale voor professionele regulering als marktcorrigerende kwaliteitsreg ulering. Aldus wordt eerst een kort overzicht gegeven van de economische inzichten in het marktmechanisme met inbegrip van de verfijning daarvan door de recentere inzichten in het contractmechanisme. Daarna worden de twee rivaliserende economische zienswijzen op het ontstaan van reguleri ng uiteengezet, nl. de “Public Interest Theory of Regulation” en de Priv ate Interest Theory of Regulation. Aldus worden zowel de mogelijke “capture” van het wetgevend proces door private beroepsgroepbelangen, als de eventuele markt- en contract-faling en die sommige beroepsregels zouden kunnen verklaren, onderzocht. Daarna volgt een korte analyse van verschillende types van beroepsregels en hu n voor- en nadelen. Tot slot worden de instrumenten van ex post aansprak elijkheidsrecht en ex ante regulering kort met elkaar vergeleken. Naast de sterk gereguleerde aard van wat, volgens sommigen, niet zo erg verschilt van een puur commerciële activiteit, is het ongetwijfeld de tr aditionele betrokkenheid van de beroepsgroep zélf bij de regelgevende ac tiviteit, toezicht en/of afdwinging die het scepticisme ten aanzien van zulke beroepsregels aanwakkert. Bijgevolg onderzoekt het derde hoofdstuk de economische argumenten om de beroepsgroep te betrekken bij het regel gevend proces in plaats van louter op klassieke overheidsregulering te v ertrouwen. Zoals zal blijken uit de verdere hoofdstukken heeft zulke “pr ivatisering van regelgeving” uiteraard ook belangrijke gevolgen voor de juridische analyse. Als aanvaard wordt dat een zekere graad van (marktcorrigerende) professi onele regulering noodzakelijk is om deze markt goed te laten functionere n, en indien de voordelen om deze regelgevende activiteit toe te vertrou wen aan een co-regulerend of “competitief zelfregulerend” kader vastgest eld zijn, dan is de volgende stap het nagaan aan welk niveau in de “mult i-level” context van de Europese Unie deze regelgevende activiteit zou m oeten worden toevertrouwd. Bijgevolg zet een vierde hoofdstuk de basisin zichten van de theorie van economisch federalisme inzake de optimale all ocatie van regulerende bevoegdheden uiteen. In het tweede grote onderdeel van deze doctoraatsthesis worden deze econ omische inzichten inzake de optimale vorm van professionele regulering g econfronteerd met de complexe realiteit van het Europese Interne Markt r echtskader. (PART II). Een vijfde hoofdstuk onderzoekt bijgevolg de reële of potentiële impact van de vrij verkeer regels op beroepsregulering. In het bijzonder wordt nagegaan in hoeverre de vrij verkeer regels van toepassing zijn op zelf- en co-regulerende organisaties, en of er voldoende ruimte wordt gelaten voor kwaliteitsoverwegingen. Allereerst wordt het personeel toepassings gebied van de vrij verkeer bepalingen geanalyseerd om na te gaan of en w anneer private of “hybride” regulering gevat zal worden. Na een overzich t van de rechtspraak van het Hof inzake zulke “private aansprakelijkheid ”, wordt de wenselijkheid om private partijen en in het bijzonder beroep sorganisaties gebonden te achten door de vrij verkeer bepalingen onderzo cht. Daarbij wordt de noodzaak van zulke uitbreiding van het personeel toepassingsgebied evenals de potentiële implicaties voor het s ystem van het Verdrag in zijn geheel in rekening genomen. Vervolgens wordt het materiële toepassingsgebied van deze verdragsbepali ngen, nl. de inhoud van het begrip ‘belemmering van het vrij verkeer’ ev enals de mogelijkheid om dergelijke maatregelen te rechtvaardigen, bestu deerd. Hierbij wordt in het bijzonder nagegaan welke types van beroepsre gels deze toetsing zullen doorstaan, evenals welk beleidsniveau (indirec t) de bevoegdheid om te reguleren of te co-reguleren krijgt toegewezen. Een veelvoud aan overwegingen speelt (of zou moeten spelen) een rol in h et debat over het materiële toepassingsgebied. Twee daarvan, met name de gewenste graad van marktregulering versus integratie en de allocatie va n bevoegdheden tussen de Lidstaten en de Gemeenschap, worden in het bijz onder benadrukt. Aansluitend worden een aantal economische theoretische inzichten gehanteerd om het standpunt inzake het materiële toepassingsge bied ingenomen in deze doctoraatsthesis te onderbouwen. Aangezien louter ‘negatieve integratie’, zijnde het wegwerken van belemm erende nationale maatregelen door de rechterlijke afdwinging van de vrij verkeer bepalingen zelden zal volstaan om een markt werkelijk te integr eren heeft wetgevende interventie steeds een essentiële component gevorm d van het Interne Markt proces. Zulke wetgeving kan de vorm aannemen van ofwel een versterking van de ‘negatieve integratie’-route door het codi ficeren van verboden beperkende praktijken, of een ‘positieve integratie ’-route waarbij gerechtvaardigde nationale belemmerende maatregelen geha rmoniseerd of gecoördineerd worden. Bijgevolg onderzoekt het zesde hoofd stuk verscheidene wetgevende maatregelen die invloed (kunnen) hebben op de voorziening van professionele diensten in de Interne Markt. Bij de an alyse van deze maatregelen wordt aandacht besteed aan hun marktintegrere nd karakter, hun mogelijke implicaties voor de allocatie van regulerende bevoegdheden, evenals de eigenlijke inhoud van de professionele regels vervat in deze communautaire maatregelen Buiten het vermogen om het vrij verkeer te belemmeren, kan professionele regulering uiteraard ook de mededinging verstoren. Bijgevolg onderzoekt het zevende hoofdstuk of en hoe de concurrentiebepalingen toepasselijk (kunnen) zijn op potentieel mededingingsbeperkende beroepsregels. Aangez ien tot nu toe alle zaken m.b.t. professionele regulering afgehandeld we rden onder Art. 101 VWEU (oud Art. 81 EG), ligt de focus van de analyse in deze doctoraatsthesis op die verdragsbepaling, zonder echter de mogel ijke relevantie van Arts. 102 en 106(2) VWEU (oude artikelen 82 en 86(2) EG) te willen ontkennen. Allereerst wordt nagegaan of professionele reg els “overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersveren igingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen” kunnen uitmaken en aldus onder het personeel toepassingsgebied van Art. 101 VWEU (oud Ar t. 81 EG) vallen. Aangezien een vaak weerkerend kenmerk van beroepsassoc iaties hun “hybride” aard is, nl. naast hun typische zelfregulerende kar akter vertoont hun werking en/of organisatie vaak enige vorm van overhei dsinmenging, moeten de precieze gevolgen van een dergelijke nauwe band t ussen professionele regulering en overheidsoptreden onderzocht worden. D aartoe worden twee onderling verbonden “issues” behandeld. Ten eerste wo rdt vastgesteld of en wanneer overheidstussenkomst bij de adoptie van be roepsregels zal leiden tot een inbreuk op de mededingingsregels door de staat zelf (staatsaansprakelijkheid). Vervolgens wordt nagegaan wanneer een beroepsreglementering beschouwd dient te worden als een mededingings beperkend besluit in de zin van Art. 101(1) VWEU (oud Art. 81(1) EG) waa rvoor de beroepsorganisatie aansprakelijk is, in plaats van een ‘echte s taatsmaatregel’ waarvoor het aansprakelijkheid zou ontlopen (“state acti on defence”). Vervolgens wordt het materieel toepassingsgebied van Art. 101 VWEU (oud Art. 81 EC) onderzocht op zijn capaciteit om zulke professionele kwalite itsregulering adequaat te kunnen beoordelen. Aldus wordt een ruimer allo catief efficiëntie begrip voorgesteld dat andere marktfalingen omvat die aanzienlijke obstructies voor competitieve markten kunnen vormen, zoals de mogelijke informatie-asymmetrieën en externe effecten in professione le markten. Daarna worden de concrete juridische tests die het Hof en de Commissie hanteren bij de toepassing van lid 1&amp;3 van Art. 101 VWEU (oud Art. 81 EG) geanalyseerd tegen deze achtergrond. Hierbij wordt in het b ijzonder aandacht besteedt aan de ruimte die wordt gelaten om de specifi eke belangen die professionele regulering nastreeft in rekening te nemen . Uiteraard wordt een aanzienlijk deel van deze analyse besteed aan het situeren en verduidelijken van de Wouters-zaak. [2] 3. Belangrijkste conclusies 3.1. Nood om professionele diensten te reguleren? Hoe beantwoordt het Europees juridisch kader aan deze nood? Na een grondige analyse op grond van de bestaande rechtseconomische lite ratuur besloot ik dat er omwille van de bestaande informatieasymmetrieën en externaliteiten waarschijnlijk wel degelijk nood is aan bepaalde bij zondere regulering voor professionele diensten. Niettemin moeten dergeli jke regels steeds nauwgezet gescreend worden op sporen van mogelijke “re nt-seeking” praktijken. Vervolgens moest worden nagegaan of en hoe het Europese Interne Marktrec ht erin slaagt om, enerzijds, de noodzakelijke marktcorrigerende beroeps regels (kwaliteitsoverwegingen) te verzoenen met de doelstelling van een competitieve Interne Markt en, anderzijds, die regels die welvaartsverl agend zijn en louter trachten de economische belangen van de beroepsgroe p te beschermen eruit te filteren. Mededingingsrecht – In het geval van beroepsregels die l outer het resultaat zijn van zelfregulering (in tegenstelling tot ‘pure staatsmaatregelen’) zullen de mededingingsregels van toepassing zijn. Bi jgevolg moest worden onderzocht in hoeverre de toetsing op grond van Art . 101 VWEU (oud Art. 81 EG) in staat is om die beroepsregels uit te filt eren die werkelijk welvaartsverlagend zijn. Na een diepgaande analyse va n de factoren die door de rechtspraak in rekening worden genomen binnen zowel de verbodsbepaling (lid 1) als de uitzonderingsbepaling (lid 3), s telde ik voor om het arrest Wouters te lezen als een verrijking van de a nalyse onder Art. 101 VWEU met het concept van “een inherente restrictie ”. Een dergelijke contextuele analyse zou betekenen dat hoewel (veel) pr ofessionele regels omwille van hun anticompetitieve effecten in de zin v an prijsstijgingen en outputreductie (allocatieve efficiëntie sensu stri cto) nog steeds als prima facie mededingingsbeperkingen moeten worden ge kwalificeerd, die regels die “inherent zijn aan het adequaat functionere n van de specifieke sectormarkt” kunnen vrijgepleit worden op grond van hun bijdrage aan de allocatieve efficiëntie sensu latu en dus de algehel e welvaart. Op deze wijze zou de Europese mededingingsanalyse zelfregule ring die schijnbaar de mededinging beperkt maar in feite de welvaart ver hoogt door tegemoet te komen aan bestaande marktfalingen kunnen accommod eren. Vrij verkeer regels – Vervolgens moest worden nagegaan o f door middel van de Europese vrij verkeer regels, die het aanmoedigen v an mobiliteit tot doel hebben, een gepaste controle wordt uitgeoefend op dergelijke beroepsregels. Louter vanuit het perspectief van de nood aan marktcorrigerende kwaliteitsregulering, lijkt de vrij verkeer rechtspra ak vrij goed tegemoet te komen aan deze bezorgdheid door de rechtvaardig ing van talrijke mobiliteitsbelemmerende beroepsregels te aanvaarden. Ni ettemin stelde ik dat vanuit het meer fundamentele perspectief van de op timale allocatie van regulerende bevoegdheden (federalisme) deze rechtsp raak tekortschiet. Inderdaad, hoewel “rent-seeking” praktijken wel degel ijk moeten worden tegengegaan, kwam ik op grond van de theorie van het e conomisch federalisme tot het besluit dat het Hof van Justitie niet per se het meest geschikte forum is om een dergelijk onderzoek naar mogelijk e “political capture” van nationale wetgeving door te voeren. Enige mate van lobbying vormt immers een onmisbaar onderdeel van het democratisch proces. Uiteraard dient het Hof díe “rent-seeking” activiteiten die neer komen op het beschermen van de nationale markt tegen buitenlanders eruit te filteren (= externe effecten). Maar de toetsing van niet-discriminat oire nationale regels die niet zulk protectionistisch effect hebben, moe t mijn inziens beter worden overgelaten aan het nationale niveau. Ondank s de schijnbaar onomkeerbare uitholling in de rechtspraak van de “puur i nterne situatie” – begrenzing, besloot ik dat het vanuit federalisme ove rwegingen niettemin verkieslijk blijft om de analyse van niet-discrimina toire nationale maatregelen over te laten aan het nationale niveau. En i ndien de toepassing van een ruim markttoegang-criterium toch leidt tot h et toetsen van dergelijke niet-discriminatoire regels op Europees niveau , steun ik de huidige terughoudende proportionaliteitstoetsing die het H of hanteert ten aanzien van niet-discriminatoire professionele regels. Een ontleding van de bestaande secundaire wetgeving leidde tot de conclu sie dat deze in essentie weinig toevoegt aan de bestaande analyse onder de vrij verkeer regels. 3.2. &amp;n bsp;Welk type van regelgever (zelf-, co- of overheidsregulering)? Hoe ka n het Europees juridisch kader de juiste incentieven daartoe geven? Co-regulering: het beste van twee werelden verenigd – Hoewel de ec onomische analyses van het fenomeen van zelfregulering schaars en relati ef onbeslist zijn, en iedere conclusie dus enkel tentatief kan zijn, ple itte ik voor het invoeren van co-regulerende systemen. Co-regulering laa t immers toe om het informatievoordeel van zelfregulering te bewaren en tezelfdertijd het risico op mededingingsbeperkende praktijken te beperke n. Zulke co-regulering kan echter meerdere vormen aannemen. Cruciaal voo r effectieve co-regulering lijkt de aanwezigheid van daadwerkelijk overh eidstoezicht op de regelgevende en controlerende activiteiten van de zel fregulerende instanties. Bovendien moet het algemeen belang karakter van de aangenomen regels verder verzekerd worden door het invoeren van proc edurele waarborgen, zoals het opsplitsen van de representatieve en regel gevende functie evenals een besluitvormingsorgaan samengesteld uit voldo ende onafhankelijke leden Vervolgens moest onderzocht worden hoe het Europese Interne Markt recht omgaat met dergelijke atypische vormen van regulering en welke incentiev en voor de organisatievorm van dergelijke regelgevers daar eventueel zou den kunnen uit voortvloeien. Publiek-privaat opsplitsing in het Europese Interne Markt rechtskader – De juridische analyse van de wijze waarop de vrij verkeer en meded ingingsbepalingen met dergelijke mix aan overheids- en private regulerin g omgaan, voerde me onvermijdelijk doorheen het hoogst actuele debat ove r het vervagen van deze publiek-privaat afscheiding in het Europese Inte rne Marktrecht. Ik stelde dat, hoewel een meer functionele of “effects-b ased” benadering van het personeel toepassingsgebied van de vrij verkeer en mededingingsbepalingen op zichzelf een aantrekkelijk idee is gezien het toenemend beroep op zelf- en co-regulering, deze publiek-privaat ind eling niettemin relevant blijft. Immers, de private of publieke aard van de auteur kan redelijkerwijs worden gedacht aanzienlijke gevolgen te he bben voor de legitimiteit evenals de veronderstelde economische rational iteit van de aangenomen maatregel. Vrij verkeer regels, staatsmaatregelen en private collectieve reguler ing – Hoewel de vrij verkeer rechtspraak duidelijk aangeeft dat ook puur zelfregulerende professionele maatregelen binnen het personeel toepassingsgebied zullen vallen als een vorm van private collectieve reg ulering, opperde ik dat ook rekening moet worden gehouden met het feit d at de vrij verkeer bepalingen niet in een vacuüm opereren maar een onder deel vormen van het “systeem van het Verdrag als geheel”. Aldus, aangezi en het Verdrag een andere set van regels voorziet die specifiek gericht zijn op “private economische beperkingen”, namelijk de mededingingsbepal ingen, besloot ik dat de beoordeling van private handelingen bij voorkeu r onder deze regels moet plaatsvinden. Immers, zelfs als beide rechtstak ken in essentie gericht zijn op het verwijderen van belemmeringen voor g elijke/”level” mededinging, werden ze doorheen de jaren uitgebouwd met h et oog op andere actoren, wat met name blijkt uit de verschillende aard van de rechtvaardigingspraktijk onder beide takken (algemeen belang vers us economische efficiëntie). Het is immers aannemelijk dat de incentieve n die private en publieke actoren drijven, evenals hun legitimiteit, fun damenteel verschillen waardoor hun handelingen dus een verschillend type van rechterlijk toezicht vereisen. Aangezien onder de huidige rechtspraak beroepsregels sowieso binnen het personeel toepassingsgebied van de vrij verkeer regels vallen, ongeacht hun zelf-, co- of overheidsregulerende oorsprong, lijken uit deze rechts praak geen specifieke incentieven voor de keuze van een bepaalde reguler ende organisatievorm voort te vloeien. Mededingingsbepalingen en staatsmaatregelen – In contrast met de evolutie binnen de vrij verkeer rechtspraak heeft het Hof het person eel toepassingsgebied van deze mededingingsbepalingen (Arts. 101 &amp; 102 VWEU) nooit uitgebreid tot ‘pure staatsmaatregelen’.. De rechtspraak inzake staatsaansprakelijkheid voor mededingingsbeperkende maatregelen lijkt inderdaad te suggereren dat het Europese mededingingsrechtelijk to ezicht op basis van Arts. 101 &amp; 102 VWEU enkel kan worden uitgeoefe nd indien er een “verband met gedragingen van ondernemingen als bedoe ld in [artikel 101, lid 1 VWEU]” bestaat.[3] Met ande re woorden, de mededingingsbepalingen zullen slechts van toepassing zijn als de beperking ook het resultaat is van autonome beslissingen/gedragi ngen van private actoren. Deze vereiste van een link met autonoom privaa t gedrag in de zin van Art. 101 VWEU lijkt de erkenning van de verschill ende aard van private en publieke maatregelen, evenals de waarde gehecht aan gedecentraliseerde nationale besluitvorming, te weerspiegelen. Mededingingsrechtelijke incentieven voor co–regulerende organisatie</ &gt; – Bij het bepalen of een besluit een van de mededingingsanalyse gevrij waarde ‘pure overheidsmaatregel’ is, lijkt de rechtspraak voornamelijk b elang te hechten aan de aan– of afwezigheid van procedurele algemee n belang waarborgen. Wanneer de overheid teveel autonomie toekent aan de private actoren betrokken in het besluitvormingsproces, bestaat het ver moeden dat de resulterende maatregel het privaat in plaats van het algem een belang zal dienen en bijgevolg onderworpen moet worden aan dezelfde mededingingstoetsing als ieder ander privaat gedrag. Het Hof probeert me t andere woorden te bepalen wanneer de overheid kan worden gezien als de ultieme auteur van de maatregel. Indien voldoende procedurele waarborge n aanwezig zijn om te verzekeren dat dit het geval is, dan zullen dergel ijke ‘pure staatshandelingen’ niet verder onderzocht worden onder Art. 1 01 VWEU (oud Art. 81 EG). Verwacht kan worden dat deze procedurele algem een belang test een co–regulerende organisatievorm zal aanmoedigen waarb ij de beslissingsorganen zijn samengesteld uit een meerderheid van onafh ankelijke actoren en geleid worden door extern opgelegde inhoudelijke al gemeen belang criteria en/of onderworpen aan werkelijk overheidstoezicht . Hoewel aldus een effectieve co–regulerende opzet wordt aangemoedi gd, moet de uitholling van deze procedurele algemeen belang te st, zoals in de zaken Arduino[4] en Cipolla[5] waar een uiterst lak se toepassing werd gemaakt, vermeden worden. (Beperkte) impact van secundaire wetgeving op co-regulerende organisa tievorm – De onderzochte secundaire wetgeving bevatte een beperk t aantal bepalingen die de specifieke organisatievorm van beroepsorganis aties zouden kunnen beïnvloeden. Zo zou de eis in de Advocaten’ vestigin gsrichtlijn dat een remedie bij een rechtbank beschikbaar is tegen regis tratieweigeringen en disciplinaire maatregelen” mogelijk de bestaande tr aditie van “disciplinair toezicht door gelijken” kunnen doorbreken en le iden tot het invoeren van toezicht door een meer onafhankelijk orgaan. D aarenboven legt de Wettelijke Auditors ‘ richtlijn de lidstaten de verpl ichting op om een effectief systeem van publiek toezicht in te richten d at de ultieme verantwoordelijkheid draagt over “a) de toelating en regis terinschrijving van wettelijke auditors en auditkantoren; en b) de goedk euring van normen op het gebied van beroepsethiek en interne kwaliteitbe heersing van auditkantoren, alsook van controlestandaarden; en c) perman ente scholing, kwaliteitsborging en onderzoeks- en tuchtregelingen.” 3.3. Reguleren op nationaal of op Europees niveau? Welke impact hebben de vrij verkeer en mededingingsbepalingen op de allocatie van regelgeve nde bevoegdheden? Voorkeur voor het nationale niveau – Op grond van de inz ichten uit de theorie van het economisch federalisme besloot ik dat prim a facie de voorkeur dient te worden gegeven aan het nationale niveau voo r het reguleren van professionele diensten, omwille van het grotere verm ogen van het gedecentraliseerd niveau om tegemoet te komen aan de voorke uren van de burgers. Niettemin moet deze prima facie voorkeur steeds afg etoetst worden aan de volgende checklist: (1) rechtvaardigen grensoversc hrijdende externaliteiten, schaalvoordelen, “race to the bottom” - dreigingen of belangrijke transactie kosten centralisatie?, (2) zo ja, k unnen staten zich geloofwaardig verbinden tot vrijwillige samenwerking?; (3) zo niet, op welk niveau kan het beleid worden uitgestippeld en geïm plementeerd met de minste kosten? In deze laatste vraag ligt het proport ionaliteitsbeginsel besloten dat stelt dat gecentraliseerde actie beperk t moet blijven tot datgene wat werkelijk nodig is, zoals het aannemen va n minimumnormen of, indien gepast, het overlaten aan zelfreguleri
ng. Het is duidelijk dat centrale en gedecentraliseerde actie moet worden gezie n als complementair in plaats van concurrerend. Immers, vaak zal een bel eidsmaterie grotendeels geregeld kunnen worden op nationaal niveau maar moet deze gedecentraliseerde actie niettemin worden aangevuld met enige coördinatie of zelfs correctie op EU niveau. Vrij verkeer bepalingen en federalisme: voorkeur voor een non-discrim inatie criterium – De beste manier waarop de vrij verkeer rechts praak de prima facie voorkeur voor het nationale beleidsniveau kan weers piegelen is, mijn inziens, door het gebruik van een ruim non-discriminat ie criterium gecombineerd met een beperkte proportionaliteitstoetsing. T egenover het arbitraire karakter waarvan zulk “formalistisch” non-discri minatie criterium soms beschuldigd wordt, staat het feit dat een dergeli jk criterium in staat lijkt om díe nationale maatregelen eruit te lichte n die prima facie een externaliteit opleggen aan buitenlanders doordat h un belangen niet in rekening werden genomen in het nationale besluitvorm ingsproces voorafgaand aan de maatregel. Het (gecentraliseerde) toezicht door het Hof kan in die gevallen leiden tot de internalisatie door de n ationale regelgevers van dergelijke (externe) kosten op niet-onderdanen. De beperkte proportionaliteitstoetsing weerspiegelt het legitimiteitpro bleem bij het toetsen door een gecentraliseerde rechter van nationale be leidskeuzes. Naast het beter vervullen van de voorkeuren van consumenten wordt gedece ntraliseerde beleidsvorming soms ook aanbevolen omwille van de “regulato ry competition” die dan kan spelen tussen de nationale overheden. De wen s om dergelijke concurrentie te versterken door het bevorderen van mobil iteit moet echter afgewogen worden tegen de vrees voor een “race to the bottom” (laagste beschermingsniveau) of zelfs een “race naar uniformitei t”. Hoewel deze overwegingen in theorie ook door een markttoegang criter ium gecombineerd met een ruime rechtvaardigingspraktijk zouden kunnen wo rden opgevangen, stelde ik dat een non-discriminatie criterium meer gara ntie biedt dat dergelijke concurrentie niet leidt tot het verlagen van h et beschermingsniveau of tot het tenietdoen van de diversiteit van belei dskeuzes in de EU. Aldus, ondanks de onduidelijkheid over het “ideale vrij verkeer kader” v oor welvaartsverhogende “regulatory competition”, besloot ik dat omwille van de betere tegemoetkoming aan preferenties door het nationale niveau , een non-discriminatie criterium gecombineerd met een beperkte proporti onaliteitstoetsing vanuit economisch federalisme oogpunt te verkiez en zou zijn. Mededingingsbepalingen en federalisme – Naast de grotere deferentie die een rechter zou moeten tonen ten aanzien van ‘pure staatsmaatregele n’ in vergelijking met private mededingingsbeperkende handelingen, heb i k geargumenteerd dat ook de impact van een dergelijke mededingingstoetsi ng van ‘pure staatsmaatregelen’ op EU niveau op de bevoegdheidsverdeling tussen het centrale en gedecentraliseerde niveau moet in rekening worde n genomen. Vanuit economisch federalisme perspectief sluit de keuze van het Hof om dergelijke nationale marktregulerende maatregelen enkel te on derwerpen aan een beperkte procedurele algemeen belang toetsing in plaat s van een echte inhoudelijke controle dan ook mooi aan bij de veronderst elde superioriteit van gedecentraliseerde besluitvorming. Om de national e regelgevers aan te zetten om mogelijke externe effecten op buitenlande rs die niet vertegenwoordigd zijn in het nationale besluitvormingsproces in rekening te nemen, stelde ik voor om dit over te laten aan de vrij v erkeer toetsing. Immers, de inspectie van mededingingsbeperkende ‘pure s taatsmaatregelen’ vereist geen traditionele Art. 101 VWEU analyse van de economische efficiëntiegevolgen maar wel een balanceeroefening tussen d e nationale beleidsobjectieven en de EU doelstelling van mededinging. Bi jgevolg suggereerde ik dat, eerder dan het ontwerpen van een specifieke rechterlijke toetsing van dergelijke mededingingsbeperkende ‘pure staats maatregelen’ binnen de context van het mededingingsrecht, zulke politiek gevoelige afwegingen beter kunnen gebeuren binnen het kader van de best aande vrij verkeer analyse. In dat kader heeft het Hof immers een rechts praak ontwikkeld die beter toegespitst is op dergelijke maatregelen waar van vermoed dient te worden dat ze het (nationale) algemeen belang diene n. [1] ECJ, Case C-341/05 Laval un Partneri [2007] E.C.R. I- 11767; EC J, Case C-438/05 The International Transport Workers' Federation and The Finnish Seamen's Union ("ITWF") [2007] E.C.R. I- 10779. [2] {ECJ 2002 #120950}. [3] ECJ, Case C-2/91 Meng [1993] E.C.R. I- 5751, para. 22. [4] ECJ, Case 35/99 Arduino [2002] E.C.R. I- 1529. [5] ECJ, Joined cases C-94/04 and C-202/04 Cipolla [2006] E.C .R. I- 11421.
Table of Contents: Table of Contents
Table of Contents i

INTRODUCTION 1

Chapter 1. Concepts 9
I. Liberal professions or professional services 9
II. Nature of professional regulation 11
III. Professional bodies 13
1. Status and composition 13
2. Tasks 14
IV. Reforms 16

Chapter 2. Economic Analysis of Professional Regulation 19
I. Why regulate and not let the market play? 19
1. Market mechanism and contracts 19
2. (Economic) Theories of regulation 21
2.1 Corrective function of regulation (market and contract failures) 22
2.1.1 Preliminary remarks 22
2.1.2 Market (and contract) failures 24
2.1.2.1 Market Power 24
2.1.2.2 Information asymmetry and bounded rationality 24
a) Problems of information asymmetry and bounded rationality defined 24
b) Self-correcting ability of the market 27
i. Repeat-purchasing and reputation as a quality mechanism 27
ii. Asset Specificity 28
iii. Other quality information instruments 32
2.1.2.3 Externalities 33
2.1.2.4 Public goods 35
2.1.2.5 Conclusion in respect of professional regulation 35
2.2 “Redistributive” function of regulation: Private Interest Theories of Regulation 36
II. Choice of types and instruments of regulation 39
1. Entry 40
1.1 Licensing 40
1.2 Restrictions on organisation 43
2. Conduct regulation 44
2.1 Information regulation 44
2.2 Quality standards 46
2.2.1 Restrictions on organizational form 46
2.2.2 Fee restrictions 48
III. Why ex ante regulation above ex post liability? 50

Chapter 3. Economic Analysis of Government Regulation versus Self-Regulation 55
I. Self-regulation pur sang 55
1. Benefits of self-regulation 56
2. Dangers of self-regulation 58
2.1 Rent-seeking 58
2.1.1 Excessive minimum quality level 60
2.1.2 Resistance to pro-competitive innovations 60
2.1.3 Lack of enforcement and passing on of costs 61
2.1.4 Non-efficiency reservations 62
2.2 Collective reputation incentives to adequately self-regulate as opposed to seek rents 62
2.3 Conclusion 64
II. Competitive self-regulation 64
1. Monopoly versus Regulatory Competition 64
2. Limitations of self-regulatory competition 66
2.1 Race to the bottom 66
2.2 Negative externalities and economies of scale 67
3. Conclusion 68
III. Co-regulation 68
1. Concept 68
2. Procedural input: External regulator stipulates rules on functioning of SRO 69
3. Substantive controls 70
4. Conclusion 72
IV. Conclusion 72

Chapter 4. Regulation Yes, But at which level? The Theory of Economic Federalism 73
I. Introduction – the subsidiarity principle 73
II. Theory of economic federalism 75
1. Factors favouring decentralization 77
1.1 Traditional theory of fiscal federalism: from the “TIEBOUT-world” to the OATES’ Decentralization Theorem: a static welfare analysis 77
1.1.1 Superior satisfaction of (heterogeneous) preferences 77
1.1.2 Increased responsiveness 79
1.2 (Regulatory) competition as a learning process: dynamic welfare analysis 79
1.2.1 Clarifying the concept of regulatory competition 79
1.2.2 “Rules of the game” or legal framework for regulatory competition 82
1.3 Political economy perspective 85
1.3.1 Strategic local constituency’s preference matching at the expense of the common interest 85
1.3.2 Accountability 87
1.3.2.1 Stalling of the ‘voice’ mechanism at the central level 87
1.3.2.2 Problems in monitoring and controlling centralized decision-makers: 88
1.3.2.3 Competitive pressures: exit and yardstick competition 89
1.3.3 Additional components of the trade-off 89
2. Factors favouring centralization 90
2.1 Centralization in the traditional fiscal federalism theory 90
2.2 Regulatory competition and the ‘race to the bottom’ 91
2.3 Political economy 93
2.4 Transaction cost economics and distortions of competition 94
3. Conclusion 94
3.1 Suggested subsidiarity trade-off in EU context 94
3.2 Complementary nature of centralized and decentralized action 95

Chapter 5. Free Movement 98
I. Goals of the free movement rules 98
1. Economics of a Common Market 98
1.1 Free trade theory 98
1.2 Market failure and the Economics of federalism 100
2. Traditional rivalling political perspectives 100
3. Towards a right to free movement and unhindered exercise of an economic activity? 101
II. Personal scope 102
1. Introduction 102
2. Case law on private accountability: focus on professional associations 103
2.1 Expansion of the state concept and free movement of goods 104
2.2 From collective regulatory towards purely individual private measures: free movement of persons and services 106
2.2.1 Collective private regulatory measures 106
2.2.2 Purely individual private measures 108
2.2.3 Private actions with a collective effect? 109
2.2.4 Conclusion 110
3. Private accountability: a good idea? 110
3.1 Wording 111
3.2 Rationale of free movement 111
3.2.1 A competitive integrated market 111
3.2.2 Rights-based approaches: the right to free movement and the right not to be discriminated on the basis of nationality 113
3.2.3 Conclusion 113
3.3 “Effectiveness of the System”: free movement and competition law as the core of the system of the Treaty 114
3.3.1 Through the mazes of the competition law net: “effet utile” 114
3.3.1.1 Brief preview of the economics of competition law 115
3.3.1.2 European competition law 115
a) Nature of actor: Outside personal scope of competition law? 115
b) Types of actions: Outside substantive scope of competition law? 118
c) Conclusion 118
3.3.2 Filling the gaps? 119
3.3.2.1 One size does not fit all? – specificity of the branches 119
3.3.2.2 Indirect accountability via state liability 121
3.3.2.3 Conclusion 122
III. Substantive scope 122
1. A barrier to free movement 124
1.1 Brief introduction to the case law 124
1.1.1 A far-reaching Dassonville formula 124
1.1.2 Complemented by mandatory or imperative requirements for indistinctly applicable measures: Cassis and progeny 125
1.1.3 And subsequently qualified: Keck “and others” 126
1.1.3.1 Keck and goods 126
1.1.3.2 Services and establishment 129
1.1.4 Conclusion: convergence? 131
1.2 Nature of a non-discrimination or market access test 131
1.2.1 A non-discrimination test 131
1.2.2 A market access test 132
2. Justifications and exceptions 133
2.1 Official authority exception 133
2.2 Grounds of Justification 135
2.2.1 Express Treaty Derogations 135
2.2.2 Mandatory requirements 135
2.2.3 No “purely economic interests” – economic protectionism 136
2.2.4 Recognition of “public interest”-value of professional regulation 137
2.3 Proportionality 139
2.3.1 Theory 139
2.3.2 Proportionality of professional rules 142
2.4 Conclusion 145
3. Economics of the desirable substantive scope 145
3.1 Free trade 146
3.2 Market failure 146
3.3 Economic theory of federalism 146
3.3.1 Superior satisfaction of preferences at the local level versus externalities 148
3.3.2 Beneficial regulatory competition versus race to the bottom 150
3.3.3 Conclusion 153




Chapter 6. Secondary Community Legislation 155
I. Some issues raised by “centralised” legislative intervention 155
II. Lawyers’ Directives 156
1. Lawyers’ Services Directive 156
1.1 Scope, liberalizing mechanism and approved limitations 156
1.2 Deontological rules 158
1.3 Conclusion 160
2. Lawyers’ Establishment Directive 160
2.1 Establishment under home-country professional title 161
2.2 Establishment under host-country title 163
2.3 Legal basis under scrutiny (Art. 53 TFEU or old Art. 47 EC) 165
2.4 Shaping national judicial review of registration decisions and disciplinary measures 167
2.5 Conclusion 168
3. Economic Perspective on the increased mobility of lawyers by means of Directives: efficiency enhancing regulatory competition? 169
III. Directive on statutory auditors 171
1. Entry restrictions/requirements 172
2. Exercise restrictions/requirements 173
3. From self-regulation to public oversight 174
4. Conclusion 175
IV. Directives on recognition of professional qualifications – Directive 2005/36/EC 176
1. Scope 177
2. Free provision of services 179
3. Freedom of establishment 181
3.1 Automatic recognition of qualifications of specific professions 181
3.2 General system for recognition of professional qualifications 183
3.3 Common provisions 185
3.4 Conclusion 186
V. Services Directive 187
1. Nature of the instrument 188
2. “Exclusions, limitations and derogations” 190
2.1 Specific professions excluded 190
2.2 Limitations on the basis of other instruments of Community law 191
3. Liberalizing mechanisms 192
3.1 Establishment 193
3.2 Free movement of services 194
3.3 Delimitation of restriction criterion? 196
3.4 Administrative simplification and cooperation 197
4. Harmonizing provisions 197
5. Conclusion 198
VI. Brief look at some other legislative instruments 199
1. Money Laundering Directive and confidentiality 199
2. Secondary law provisions on advertising 201

Chapter 7. Competition law 203
I. Personal scope and state action doctrine 203
1. Undertakings and associations of undertakings 204
2. State liability for anti-competitive measures 206
2.1 Introduction 206
2.2 Constitutional stance ECJ in judging state intervention 206
2.2.1 Link with private conduct within the meaning of Art. 101 TFEU (old Art. 81 EC) as a constitutional starting point 207
2.2.2 Nature of control: procedural public interest guarantees 209
2.3 Step one: no immunity for all state action 212
2.4 Step two: in search of limits: introducing the Van Eycke-“test” 213
2.5 “Back to basics” to clarify Van Eycke 214
2.5.1 Strengthening pre-existing anti-competitive agreements 215
2.5.2 Encouraging or requiring undertakings to take anti-competitive decisions 216
2.5.3 Deprive[s] its own legislation of its official character by delegating to private traders responsibility for taking decisions affecting the economic sphere 217
3. State Action Defence 221
4. Incentives for efficient professional co-regulation 223
5. Conclusion 225
II. Dynamics of art. 101 TFEU (old art. 81 EC) – substantive scope and application 226
1. Introduction 226
2. Goals of competition policy underlying the legal tests and analyses 228
2.1 Ultimate goals: past and present 228
2.1.1 Competition policy from the perspective of mainstream Economic Theory 228
2.1.1.1 Basic economic theory of competitive markets 229
2.1.1.2 Economic perspective on the evil of market power (reconsidered) 231
2.1.2 Other ideals reflected in competition policy 234
2.1.3 Market power as the intersection between economics and politics 235
2.2 Diverging translations of the ultimate goals in intermediate goals and legal tests 236
2.2.1 Introduction 236
2.2.2 Ordoliberalism 237
2.2.3 Harvard School 239
2.2.4 Chicago 239
2.2.5 Fitting mainstream economic theory into the structure of Article 81 EC 241
2.2.6 Criticism on partial approach of competition law: towards a broader efficiency concept under Art. 101 TFEU (old Art. 81 EC) 244
2.2.6.1 Acceptance of trade-off against productive and dynamic efficiencies 244
2.2.6.2 Time to embrace other trade-offs in market processes: allocative efficiency sensu lato? 244
a) Demand side information failure 245
b) Allocative distortions due to externalities and missing markets 247
c) Reconciling the economic with the legal needs 248
3. Restriction under 81(1) EC in practice 249
3.1 Object or effect 249
3.2 Analysis of agreements “in their legal and economic context” 250
3.2.1 Beyond mere contractual restraints and conduct restrictions towards anti-competitive effects within the market as a whole 250
3.2.2 ‘Ancillary restraints’-doctrine: a formalistic introduction of pro-competitive effects 251
3.2.3 Balancing effects, but which ones? 253
3.2.4 Restrictions “inherent” in the relevant market: going beyond efficiency to embrace market corrective measures? 256
3.3 Application to liberal professions and beyond: Wouters 256
3.3.1 The essentials of Wouters 256
3.3.2 Possible interpretations 258
3.3.2.1 Lack of similarity to existing competition law concepts 258
a) Ancillary restraints 258
b) American rule of reason 259
c) Cassis rule of reason 260
d) Other interpretations 261
3.3.2.2 Inherent restriction 261
a) Market corrective rules in Wouters and allocative efficiency sensu lato 262
b) Restriction inherent in the proper functioning of the sector’s market 263
i. Hints in the pre-Wouters practice 263
ii. Inherent restriction of conduct versus inherent restriction of competition 265
iii. Göttrup-Klim 267
4. Scope for justification under Art. 101(3) TFEU (old Art. 81(3) EC) 267
4.1 Non-economic, non-efficiency, non-competitive considerations or public policy considerations 268
4.2 Conditions of Art. 101(3) TFEU (old Art. 81(3) EC) 270
4.2.1 Introduction: a theoretical openness of analysis 270
4.2.2 Benefits 272
4.2.3 Fair share for consumers 273
4.2.4 Proportionality and no substantial elimination of competition 274
4.2.5 Conclusion 274

General Conclusions 277
I. Need to regulate professional services: Market and contract failure 277
1. Economic analysis of professional markets 277
2. Quality regulation and other professional regulation under free movement scrutiny 280
3. (Modest) impact of secondary legislative measures 281
4. Quality regulation and other professional self-regulation under Art. 101 TFEU (old Art. 81 EC) 284
II. Government regulation, co-regulation or self-regulation and the personal scope of application of the Internal Market rules 287
1. Economic framework 287
2. Public-private divide in the Internal Market 287
2.1 Private accountability under the free movement rules 288
2.2 State action under Art. 101 TFEU (old Art. 81 EC) 289
2.3 Some incentives for regulatory setup deriving from secondary legislation 291
III. Regulation at Member State or EU level 291
1.1 Theory of economic federalism 291
1.2 Some possible implications for the substantive scope of the free movement rules 292
1.3 Some potential implications for the personal scope of Art. 101 TFEU (old Art. 81 EC) 294
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Institute for European Law
Research Unit International and Foreign Law - miscellaneous

Files in This Item:
File Status SizeFormat
PhD PDF complete.pdf Published 3813KbAdobe PDFView/Open

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.