ITEM METADATA RECORD
Title: On the Meaning and Value of Autonomy. Five Essays
Other Titles: On the Meaning and Value of Autonomy. Five Essays.
Authors: Nys, Thomas
Issue Date: 3-Mar-2006
Abstract: We zijn relatief vertrouwd met de term ‘autonomie’. Of beter: we zijn ve rtrouwd met een bepaald gebruik van de term ‘autonomie’. Deze vertrouwdh eid is een gevolg van de jaren ’60 en ’70 waarin verschillende groepen e n bewegingen op straat kwamen en expliciet respect voor hun autonomie ei sten. Hoewel die groepen erg divers waren (vrouwen, homoseksuelen, patië nten, etnische minderheden, etc.) deelden ze de overtuiging dat ze op de één of andere manier betutteld of onder de duim gehouden werden. A ls dusdanig voerden ze een strijd voor onafhankelijkheid en sociale erke nning. Hoewel veel van deze ongelijkheden sindsdien verbeterd zijn, klin kt het pleidooi voor autonomie onverminderd voort. Autonomie is nog stee ds de favoriete strijdkreet van diegenen die zich onderdrukt of onvrij v oelen en die respect eisen voor wie ze zijn en wat ze doen. Het belang van autonomie valt dan ook niet te onderschatten. Respect voo r autonomie wordt algemeen beschouwd als hét sleutelprincipe waar onze h edendaagse liberale samenleving op steunt. Echter, ondanks deze vertrouw dheid en het centrale belang van autonomie is het moeilijk om uit te leg gen wat autonomie precies inhoudt en waarom het zo belangrijk is. Daarom wordt in deze doctoraatsthesis geprobeerd om, aan de hand van vijf aute urs, een inzicht te verwerven in de waarde en betekenis van autonomie. In een eerste hoofdstuk wordt het autonomieconcept van Immanuel Kant bes proken. Voor Kant is autonomie een eigenschap van de wil die duidt op he t vermogen om zich door de morele wet gebonden te weten. Autonomie is le tterlijk ‘zelf-wetgeving’, maar de nadruk ligt voor Kant duidelijk op ‘w etgeving’ en niet op ‘zelf’. Het gaat niet om individuele, particuliere ‘zelven’ die naar eigen goeddunken wetten voor zichzelf ontwikkelen, maa r om het vermogen om de universele morele wet als enige autoriteit te er kennen. Als dusdanig impliceert autonomie dat we soms moeten ingaan tege n onze verlangens. Dit betekent dat de eis die voortvloeit uit autonomie ons mogelijkerwijs ‘afleidt’ van onze persoonlijke projecten: er is een divergentie tussen deugd en geluk. Wat dat betreft is autonomie een par adoxale notie: trouw zijn aan het ware zelf betekent onze verlangens tus sen haakjes kunnen zetten, d.w.z. datgene wat misschien het meest echt o f persoonlijk lijkt, ondergeschikt maken aan de koele wetten van de rede . Anderzijds verschijnen deze morele wetten ons niet als totaal vreemd; we erkennen noodzakelijkerwijs de autoriteit van het Categorisch Imperat ief. In hoofdstuk 2 verschuiven we de aandacht naar John Stuart Mill. Mills b eroemde pleidooi voor individuele vrijheid is gebaseerd op het idee dat autonomie een ‘noodzakelijk ingrediënt’ is voor het menselijk geluk. Per sonen kunnen pas werkelijk gelukkig worden wanneer dat geluk het resulta at is van een actief proces, d.i. wanneer ze zelf het geluk mogen zoeken . Deze directe link tussen autonomie en geluk is een duidelijke breuk me t het Kantiaanse project. Mill pleit echter niet voor een compleet subje ctivisme. Integendeel, On Liberty vertrekt vanuit een sterk geloof in mo rele waarheid en vooruitgang. Mills argument is dat er een veelheid aan ‘levensexperimenten’ nodig is om de waarheid aan het licht te brengen. Z ijn ideaal van autonomie moet dan ook begrepen worden als een complex id eaal dat verpersoonlijkt wordt in het icoon van de gentleman. Dit ideaal steunt op haar beurt op een voorwaarde van competentie: om individuele vrijheid te genieten, moeten personen in staat zijn om ‘verbeterd’ te ku nnen worden door rationele argumenten. Indien men niet voldoet aan deze noodzakelijke voorwaarde (bvb. kinderen, geesteszieken, dronkaards, etc. ) dan vervalt het recht op individuele vrijheid. Het derde hoofdstuk behandelt de theorieën van Isaiah Berlin en Charles Taylor. Berlin is wantrouwig met betrekking tot wat hij ‘positieve vrijh eid’ (c. q. autonomie) noemt: het gevaar bestaat immers dat het ‘ware ze lf’ losgeweekt wordt van het empirisch individu. Buitenstaanders kunnen claimen dat zij het ‘ware zelf’ beter kennen dan het individu en op die manier kunnen ze hem dwingen om ‘vrij’ te zijn. Om dit gevaar te vermijd en, vestigt Berlin de aandacht op negatieve vrijheid, d.w.z. vrijheid al s een verzameling van ‘opportunities’ die een persoon eventueel zou kunn en benutten. Een dergelijk vrijheidsconcept is onvoldoende volgens Taylo r. Terwijl Berlin zijn pijlen vooral richt tegen het autoritarisme, neem t hij een andere vijand in het vizier: het relativisme en het subjectivi sme. Deze ‘malaises van de moderniteit’ zijn volgens hem het gevolg van een ontaard authenticiteits-ideaal. Echter, volgens Taylor moet dit idea al niet opgegeven worden, maar geherwaardeerd. Harry Frankfurt presenteert een erg overtuigende theorie van persoonlijk e autonomie. Iemand geniet autonomie wanneer diens tweede-orde verlangen s zijn eerste-orde verlangens ondersteunen. Of anders: iemand is autonoo m wanneer hij zich identificeert met zijn wil (bvb. een roker die wanhop ig probeert te stoppen zal zich niet identificeren met zijn verlangen vo or een sigaret). Echter, dit proces van identificatie steunt op een bela ngrijke passieve dimensie: een persoon weet zich steeds geïdentificeerd met bepaalde ‘dingen’ waar hij ‘om geeft’ (projecten, personen, etc.). A lhoewel Frankfurt op die manier een overtuigende theorie formuleert van wat autonomie betekent vanuit een eerste-persoonsperspectief, blijft zij n benadering descriptief en is hij niet in staat om richtlijnen te geven wat betreft de normatieve discussie omtrent respect voor autonomie. Het vijfde en laatste hoofdstuk werpt een meer algemene blik op de manie r waarop autonomie vandaag begrepen wordt. Alhoewel er absoluut geen een sgezindheid bestaat aangaande de betekenis van autonomie, kan men wel st ellen dat het begrip geëvolueerd is. Autonomie werd aanvankelijk begrepe n als een robuuste, morele eigenschap van personen, terwijl respect voor autonomie vandaag de dag steeds meer opgevat wordt als het respecteren van individuele keuzes. Aan de hand van enkele case-studies en met behul p van de inzichten die in de vorige vier hoofdstukken verworven zijn, wo rdt aangetoond dat een dergelijke ‘dunne’ en voorzichtige opvatting van ‘respect voor autonomie’ niet verheerlijkt mag worden ten koste van het welzijn van personen.
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:European Centre for Ethics
Centre for Ethics, Social and Political Philosophy
Centre for Economics and Ethics, Leuven

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.