ITEM METADATA RECORD
Title: Theologie als geloofsvertolking (1948): Het proefschrift van Piet Schoonenberg (1911-1999): Fundamentele inleiding - becommentarieerde tekst - theologiehistorische beschouwingen
Authors: Mettepenningen, Jürgen
Issue Date: 5-Feb-2008
Abstract: Deze studie heeft zich tot doel gesteld inzicht te verwerven in de theologische context, de inhoud en het belang van het proefschrift van de Nederlandse jezuïet Piet Schoonenberg (1911-1999).Met de dissertatie Theologie als geloofsvertolking promoveerde Schoonenberg op 20 april 1948 aan het Canisianum, het studiehuis van de jezuïeten te Maastricht. Na de herwerking van de tekst op grond van de aangeleverde kritieken kreeg Schoonenberg in 1951 om verschillende redenen vanwege zijn oversten geen toelating de tekst te publiceren. Volgens Leo Bakker, de enige die tot dusver een studie aan het proefschrift wijdde (1971), is de dissertatie de “onbekende leessleutel” om Schoonenbergs denkontwikkeling ten volle te kunnen verstaan. In ons proefschrift trachten we deze ‘leessleutel’ te detecteren en te analyseren zodat de weg naar een adequate synthese van Schoonenbergs gehele denkloopbaan (ca. 1940-1990) mogelijk wordt.Om tot een goed verstaan van de door Schoonenberg behandelde thematiek te komen, presenteren we in het eerste hoofdstuk van onze studie de theologiehistorische achtergrond van de dissertatie. We bespreken de periode van ca. 1870-1950, d.i. van het Eerste Vaticaans Concilie tot de encycliek Humani generis. Deze tijdspanne delen we in twee tijdsblokken in, waarin we telkens de filosofische en de theologische component bespreken. Voor de periode van ca. 1870-1920 staan we stil bij de bloei van de neoscholastiek, de crisis van het modernisme en de zogeheten ‘derde weg’ van de Franse theologie (Ambroise Gardeil, Pierre Rousselot, e.a.). Bij het tijdsblok van ca. 1920-1950 gaan we, na een algemene schets van de theologiehistorische achtergrond van het interbellum en de jaren na de Tweede Wereldoorlog, dieper in op de interne pluralisering van het neothomisme en de twee fasen van de crisis van de nouvelle théologie. Tot besluit van dit inleidend hoofdstuk wordt de theologiehistorische context van Nederland in de eerste helft van de vorige eeuw beknopt weergegeven en wordt een eerste proeve ooit van een uitgebreid biografisch-theologisch portret van Piet Schoonenberg gepresenteerd op grond van archiefmateriaal, orale bronnen en literatuurstudie.Daarmee is de achtergrond en het kader van het proefschrift aangegeven. Het behandelt de verschillende posities die in het Franse taalgebied tussen ca. 1935 en 1945 werden ingenomen in het theologische grondslagendebat. Onder impuls van de interne pluralisering van het neothomisme, waarbij de aandacht voor de rol van de geschiedenis toenam, wilden verschillende theologen af van het strikte neoscholastieke stramien van theologiebeoefening. Dat stramien gold sinds de crisis van het modernisme als het strakke keurslijf van de theologie, die mede daardoor vergleden was tot een louter technische discipline waarin de status van de concepten en de logica van de redenering primeerden boven de band tussen theologie, geloof en leven. Yves Congar klaagde in 1935 het “deficit van de theologie” aan en zijn medebroeder Marie-Dominique Chenu pleitte in hetzelfde jaar in de lijn van A. Gardeil voor een “hervorming van de theologie”. Voor Schoonenberg is het duidelijk dat vanaf deze tijd een actieve zoektocht naar een synthese is ingezet. Die zoektocht gebeurt voor hem in twee stadia, nl. een vernieuwing op filosofisch niveau en een op theologisch niveau. Hier blijkt hoe we met de indeling van ons eerste hoofdstuk reeds hebben willen anticiperen op de weergave en bespreking van Schoonenbergs proefschrift. Ook al spitst hij zich toe op de filosofisch-epistemologische vernieuwing van de periode van ca. 1935-45, op het einde van zijn proefschrift maakt hij duidelijk dat zijn studie wil bijdragen tot de ‘vernieuwing van een vernieuwing’, d.i. het theologisch ressourcement gebouwd op de fundamenten van het thomistisch ressourcement.Omwille van het gedateerde jargon, de techniciteit en complexiteit van het thema en het proefschrift hebben we ervoor geopteerd enkele leessleutels voor te stellen. Dat doen we in het eerste punt van het tweede hoofdstuk. We geven daar weer: het artikel van L. Bakker, Schoonenbergs verhandeling van 1940, zijn rede bij de doctoraatsverdediging (1948) en zijn artikel De verhouding tussen theologie en wijsbegeerte. Theologie in zelfbezinning van 1956. We besluiten dit hoofdstuk door de inleiding en de structuur van Schoonenbergs proefschrift onder de loep te nemen. Meteen wordt daar de kernvraag van het proefschrift helder: is in de theologie het geloof naast uitgangspunt ook permanente gezel van de rede?De weergave en bespreking van Schoonenbergs proefschrift hebben we met het grootste respect voor de volgorde opgesplitst in drie hoofdstukken, nl. onze hoofdstukken drie, vier en vijf.In het derde hoofdstuk behandelen we Schoonenbergs eerste twee hoofdstukken. Ze vormen het tweeledige introductieluik van het proefschrift. In het eerste deel wordt vanuit Vaticanum I, de neoscholastiek en vooral de visie van de dominicaan Dominicus De Petter naar het in de kernvraag geformuleerde alternatief toe gewerkt. Aan de hand van een bespreking van de invulling van de begrippen ‘speculatieve theologie’, ‘geloof’, ‘wetenschap’ en ‘kennen’ opteert Schoonenberg naast de gangbare neoscholastieke theologie, waar het geloof beperkt wordt tot conceptueel uitgangspunt, voor een uitbreiding van de rol van het geloof, nl. ook die van latente werksfeer van de theoloog, permanent licht waarin deze redeneert, bron en gids die haar/hem leidt. Schoonenberg wil in zijn proefschrift de waarde van dat alternatief aantonen. Niettemin is ook voor hem het vertrekpunt het klassieke type van theologie, nl. de neoscholastieke theologie. In het tweede deel – Schoonenbergs tweede hoofdstuk – geeft Schoonenberg die gangbare theologiebeoefening weer, met bijzondere aandacht voor de verhouding tussen geloof en theologie. Daarbij grijpt hij hoofdzakelijk terug op het denken van Johannes a Sancto Thoma en A. Gardeil.Het vierde hoofdstuk betreft een weergave en bespreking van het derde, vierde en vijfde hoofdstuk van Schoonenbergs proefschrift, waarin hij een overzicht presenteert van de verschillende posities die theologen in ca. 1935-1945 terzake hebben ingenomen. De respectieve titels van de drie hoofdstukken, “Pogingen tot doorbraak”, “Strijd om de historische interpretatie” en “Strijd om een synthese”, wijzen reeds op het problematisch karakter van de aanvaarding van het alternatief in de katholieke theologie. Onder de eerste titel worden de visies besproken van de Nederlandse jezuïet Felix Malmberg (de promotor van Schoonenbergs proefschrift), de Franse dominicaan Marie-Dominique Chenu en de Belgische jezuïet Émile Mersch. In “Strijd om een historische interpretatie” wordt ingegaan op de theologische posities van de Leuvense hoogleraar René Draguet en vooral van de Franse minderbroeder Jean-François Bonnefoy en diens critici Marie-Rosaire Gagnebet en Yves Congar. In het derde luik wordt uitgebreid het Essai sur le problème théologique (1938) van de Leuvense dominicaan Louis Charlier besproken, dat onderwerp van discussie was tot een decennium later. Schoonenberg leeft als het ware in al het voorgaande naar dit hoofdstuk toe en besteedt ruime aandacht aan deze synthese-oefening, de kritiek erop en de Romeinse veroordeling ervan.Onze voorstelling van de theologische posities van voormelde theologen en de weergave van Schoonenbergs presentatie ervan leiden we telkens in met een biografisch-theologisch portret van ieder van de bestudeerde theologen. Door in elke bespreking vervolgens steeds de voor het onderwerp relevante lectuur betreffende de visie van een theoloog samen te vatten zijn we ook in staat gesteld inzicht te verwerven in de opties die Schoonenberg heeft genomen inzake publicaties, erin uitgedrukte klemtonen, enz. In de telkens daarop volgende weergave van Schoonenbergs uitwerking van de materie blijven we zo dicht mogelijk bij de tekst van het proefschrift.In het vijfde hoofdstuk presenteren we Schoonenbergs aanzetten tot een synthese. Het betreft het zesde en zevende hoofdstuk van zijn proefschrift. In het eerste luik – over het zesde hoofdstuk – bespreken we Schoonenbergs visie over de verhouding van geloof en theologie. Aan de hand van de begrippen die hij in zijn eerste hoofdstuk heeft belicht, komt Schoonenberg ertoe het vooropgestelde alternatief te onderbouwen vanuit epistemologisch perspectief, daarna vanuit het perspectief van de bovennatuurlijkheid van geloof en theologie. In het tweede luik – Schoonenbergs laatste hoofdstuk – wordt in deze lijn voortgedacht in termen van “gevolgtrekkingen” van wat in het eerste luik was besproken en wordt zijn visie over de verhouding kernachtig teruggebracht tot de omschrijving van theologie als geloofsvertolking.Het zesde hoofdstuk geeft onze eigen synthese weer, opgesplitst in vijf delen. Na (1) een korte schets van de positie van het proefschrift tegen de theologiehistorische achtergrond van de periode van ca. 1870-1950 presenteren we (2) onze slotbeschouwingen aangaande het proefschrift, de promotor en de publicatieproblemen en (3) een beknopte samenvatting van de inhoud van het proefschrift en onze bevindingen. Het is hier bovenal duidelijk dat Schoonenberg het neoscholastieke discours verlaat, zich vanuit de nadruk op intuïtie richt op het geloof als voortdurende theologiebegeleidende bron en kern, naast de côté conceptuel van de openbaring ook een côté réel aanvaardt en dat voor hem de speculatieve theologie niet zonder de positieve theologie kan wil de theologie zijn wat ze behoort te zijn. Vervolgens spitsen we ons toe op (4) het drieledig belang van het proefschrift, nl. met betrekking tot het actuele onderzoek van de betreffende periode van de katholieke theologie, de betekenis voor Schoonenbergs verdere denkloopbaan en voor het hedendaagse theologiebeoefening. Enkele slotbeschouwingen en suggesties voor verder onderzoek ronden onze dissertatie af.Onze studie wordt afgesloten met een index van persoonsnamen en een bijlage, die bestaat in de door ons overgetijpte tekst van het typoscript van Schoonenbergs proefschrift, dat zich bevindt in het Archief Piet Schoonenberg (Maurits Sabbebibliotheek) en dat in onze studie omschreven wordt als het Leuvens typoscript. Het betreft de tekst zoals deze tot in 1951 werd herwerkt met het oog op publicatie. In de bijlage zijn tevens de wijzigingen en toevoegingen aangegeven ten aanzien van het Nijmeegs typoscript, d.i. het typoscript op grond waarvan Schoonenberg in 1948 is gepromoveerd. Bijgevoegde stellingen Het vertrekpunt van Schoonenbergs reflectie is waartegen hij reageert, nl. de neoscholastiek. Dat is opmerkelijk maar begrijpelijk in het licht van het heersende denkkader in de toenmalige katholieke theologie.De centrale stelling van Schoonenbergs proefschrift is het positieve antwoord op de kernvraag of in de theologie het geloof naast uitgangspunt ook permanente gezel van de rede moet zijn. Theologie is voor Schoonenberg altijd geloofsvertolking: in welke gedaante theologie ook beoefend wordt, zij moet vertrekken én doortrokken zijn van geloof.Het ideaal van Schoonenberg is gelegen in de ‘vernieuwing van de vernieuwing’ van de theologie, waarbij met ‘vernieuwing’ gedoeld wordt op het thomistisch ressourcement (d.i. de eerste fase van de nouvelle théologie) en met de ‘vernieuwing van die vernieuwing’ op het theologisch ressourcement (d.i. de tweede fase van de nouvelle théologie).Schoonenberg is een vertegenwoordiger van het thomistisch ressourcement, al maken zijn slotbeschouwingen duidelijk dat hij net zoals Henri Bouillard op de overgang zit van de eerste naar de tweede fase.Net zoals voor Edward Schillebeeckx vormt het artikel “Impliciete intuïtie” van de dominicaanse filosoof Dominicus De Petter voor Schoonenberg een hoeksteen van de eigen ‘theologie van de werkelijkheid’. De Petter opende Schoonenbergs ogen voor het contact met de werkelijkheid, voorafgaand en onderliggend aan de concepten.De aanzet van de tweede verkenningsronde in het proefschrift betreft de ‘pogingen tot theologische doorbraak’ van Malmberg, Chenu en Mersch. Met de optie voor de bundeling van hun visies in één hoofdstuk geeft Schoonenberg aan dat de aanzet tot het dubbele ressourcement in niet geringe mate ligt in het Corpus mysticum-denken, d.i. volgens hem het centrale denken van de katholieke literatuur in de vorige eeuw.Mersch’ visie geldt als ‘ommekeer’ in het proefschrift, terwijl Draguets visie de voortrekkersrol vervult voor Schoonenberg om het nieuw ingeslagen spoor met stevige tred te bewandelen.Schoonenberg laat zijn proefschrift toegroeien naar het vijfde hoofdstuk. Hij heeft heel goed het belang van Charliers Essai sur le problème théologique ingezien.Zowel inzake het proefschrift als betreffende zijn boek De Geest, het Woord en de Zoon stuitte Schoonenberg op tegenstand met betrekking tot het slot, d.i. zijn eigen visie. In 1948 en 1984 werd de publicatie daarom tegengehouden.Het proefschrift is het fundament waarop Schoonenbergs latere werk is gebouwd. Net zoals het proefschrift is dat latere werk gecentreerd rond thema’s die als theologisch vernieuwend gepercipieerd werden en verlaat Schoonenberg de neoscholastiek.Het proefschrift van Piet Schoonenberg betreft de grootste toenmalige studie over én bijdrage aan de nouvelle théologie in het Nederlandse taalgebied.België was de draaischijf van de nouvelle théologie en dus in Schoonenbergs proefschrift. De behandelde protagonisten waren hoofdzakelijk in België werkzaam: De Petter, Charlier en Draguet te Leuven en Chenu en Congar te Kain (Le Saulchoir).Schoonenberg is gepromoveerd op een proefschrift dat in zeer grote mate refereert aan de visies van door Rome gesanctioneerde theologen (Chenu, Charlier, Draguet, De Petter).
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Research Unit of History of Church and Theology

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.