ITEM METADATA RECORD
Title: God, wereld en mens in het tweestromenland tussen westerse wijsbegeerte en bijbelse wijsheid. Een filosofische, ethische en theologische dialoog met het ternaire denken van Franz Rosenzweig
Authors: Anckaert, Luc
Issue Date: 14-Mar-1994
Abstract: ANCKAERT, L., God, World and Man in the Triadic Thinking of Franz Rosenzweig. A Philosophical, Ethical and Theological Dialogue

Abstract

The dissertation explores Rosenzweigs main work, The Star of Redemption in its internal dynamics and in its relevance for philosophy (of language), religious ethics and theology (christology and trinitarian thinking). The bibliographical part completes ANCKAERT & CASPER, Franz Rosenzweig. A Bibliography, Louvain, 1990 with 220 new titles.
After a survey of the secondary literature, Rosenzweigs basic questions are explored starting from Zweistromland. Kleinere Schriften. Part I is a study the isolated structures of God, man and world. Great attention is paid to the discussion with idealism (Kant, Hegel and Schelling). A rhetorical reading (methodologically influenced by Nietzsche and Derrida) of this text prepares the interpretation of reality as relationality in Part II. Here, creation, revelation and redemption are interpreted as linguistic relations (under the influence of Rosenstock-Huessy). A grammatical reading of the text of Rosenzweig permits a critical reflection on the possibilities of Rosenzweigs thinking for ethics. The relation between the particularity of narrative traditions and the universal claim of ethics is explored. Part III is dedicated to the concept of truth, history, liturgy and politics.
Every part is introduced by an exploration of the backgrounds and a detailed study of the relevant passages of the minor works of Rosenzweig.
Table of Contents: Inhoudstafel

Woord vooraf II
Inhoudstafel III
Sigla XVI
Sleutelwoorden XVII
Bibliografie XIX
1. Franz Rosenzweig. A Primary and Secondary Bibliography: XIX
Complement (1990-1993)
2. Bibliografie van geraadpleegde werken XLVIII
Inleiding LXXX
Fragmentering of verbinding? LXXX
Situering van de studie LXXXII
Studieobject, methode en structuur LXXXIII

Propaedeutische beschouwing: 1
Situering en initiële vraagstelling van Rosenzweigs 'nieu¬we denken'

1. Situering van Rosenzweigs denken 2
1.1. Denken in 'Tweestromenland' 2
1.2. Woordvoerders van het dialogische denken 6
1.3. Leven en werk van Rosenzweig 9
1.4. De receptiegeschiedenis van de Stern 11

2. De initiële vraagstelling van Rosenzweigs 'nieuwe denken' 18
2.1. Het niets als plaats van de vraagstelling 19
2.2. Een drievoudig niets 22
a. Het bestaan van God 23
b. De werkelijkheid van de wereld 25
c. De vrijheid van de mens 26

3. De initiële vraagstelling en de structuur van de Stern 27
3.1. De oorsprong en de structuur van het denken 27
3.2. De structuur van Rosenzweigs denken 29

Deel I: 33
De grondslagen van de werkelijkheid

Hoofdstuk I: De 'Adabsurdumführung' van het idealisme 36

1. De mogelijkheid van de systeemkritiek 36
1.1. Hegel en de filosofische kritiek 36
1.2. Derrida en de deconstructie als kritiek 37
1.3. Deconstructie en de kritiek van Rosenzweig 38

2. Het idealisme als eendimensionele wijsbegeerte 40
2.1. Het rationaliteitsproject van de Griekse wijsbegeerte 41
2.2. De eendimensionaliteit van het Griekse wijsgerige project:
ontkenning van alteriteit, taal en tijd 43

3. De culminatie van het idealisme in de Hegeliaansewijsbegeerte 45
3.1. De Kantiaanse vraagstelling als uitgangspunt 45
3.2. Het antwoord van de idealistische systemen 48

4. Schelling als de wegbereider van Rosenzweigs kritiek 50
4.1. Schelling en het probleem van de oorsprong, de eindigheid,
de men¬selijke vrijheid, de tijd 51
a. Het Freiheitsschrift 51
b. De Weltalter 53
4.2. De vraagstelling van de positieve filosofie: het statuut van de rationaliteit 56
4.3. Mythologie, openbaring en taal in de positieve filosofie 58
Besluit: Hegel en Schelling 60

5. Rosenzweigs kritiek op Hegels filosofie 61
5.1. Dood en persoonlijke existentie: de mens als begin van de reflectie 62
a. De doodservaring en de plaats van de subjectiviteit 62
b. De plaats van de dood en de structuur van Rosenzweigs denken 65
c. Concrete aanzetten van de Standpunktphilosophie 67
5.2. Het statuut van de idealistische rationaliteit 71
5.3. De mogelijkheid het bestaan van God te denken 73
5.4. Corrolarium: een nieuw logisch organon 75
a. Het niets als nulpunt van de protorealiteit 75
b. Extrapolatie naar de filosofie toe 76
Besluit: Rosenzweig en het idealisme 78

Hoofdstuk II: 79
De metafysische structuur van de eeuwige God

1. God als de eerste protorealiteit 79

2. Van atheïsme naar positieve filosofie 83
2.1. Agnosticisme en atheïsme 83
2.2. Het radicale atheïsme van Nietzsche 84
2.3. Het niets als beginpunt van de positieve filosofie 86

3. Een metafysisch antwoord 87
3.1. Een 'metafysisch' onderzoek 87
3.2. Het wezen als bevestiging van het goddelijke bestaan 88
a. De bevestiging van het goddelijke wezen 88
b. De wiskunde als taal van de protorealiteit 89

3.3. De vrijheid als de ontkenning van het niet-bestaan van God 91
a. De weigering van het niets van God 91
b. Logisch-mathematische voorstelling 92
3.4. De goddelijke gestalte 92
a. Achtergrond: Schellings Realdialektik 92
b. God als levende gestalte 92
c. Logisch-mathematische voorstelling 93
Besluit: afscheid van een neutraal Godsbeeld 93

4. Het mythische schaduwbestaan van de metafysische God 94
4.1. De werkelijkheid en haar schaduwen 95
4.2. De oosterse religies en de Griekse mythe 97
a. De bevestiging van de zijnsmogelijkheid in het hindoeïsme 98
b. De ontkenning van het niets in het taoïsme 99
c. De goddelijke gestalte in de Griekse mythe 99
4.3. Het goddelijke karakter van de kunst 100
4.4. De mythe als het verborgen geheim van de taal 102
Besluit: mythe en atheïsme 103

Hoofdstuk III: 105
De metalogische structuur van de objectief-bestaande wereld

1. De wereld als de tweede protorealiteit 105

2. Van epistemologisch relativisme naar vertrouwen in de werkelijkheid 106
2.1. De wereld als zijn of schijn 107
2.2. Het niets van de wetenschap 110

3. Een metalogisch antwoord 111
3.1. Het wezen als de immanente intelligibiliteit van de wereld 111
a. De bevestiging van het logische wezen van de wereld 111
b. Logisch-mathematisch voorstelling 112
3.2. De volheid als ontkenning van de schijn 112
a. De verschijningen in de wereld 112
b. Logisch-mathematische voorstelling 113
3.3. De metalogische gestalte van de wereld 114
a. De wereld als ontvankelijkheid van de nieuwheid 114
b. Weerlegging van de idealistische Erscheinungs-problematiek 114
c. Logisch-mathematische voorstelling 116
d. Het individu en de soort 116
Besluit: de autonome wereld als bron van overvloed 117

4. De kosmologische densiteit van de metalogische wereld 118
4.1. De Griekse wijsbegeerte als kosmologie? 119
4.2. De kosmologie als voorstelling van de metalogische wereld 122
a. Het fundamentele relatiepatroon van de kosmologie 122
b. De onafhankelijkheid ten opzichte van de mens en God 123
c. De macro- en microkosmos als uitdrukking van het metalogische wereld¬beeld 124
4.3. De kunst 127
Besluit: Metalogiek en ethiek 128

Hoofdstuk IV: 129
De meta-ethische structuur van de vrije mens

1. De mens als laatste protorealiteit 129

2. Het gekwalificeerde niets van de mens 129
2.1. Het niets van de mens in het Kantiaanse denken 130
2.2. Het niets als de reductie van de mens 131

3. Een meta-ethisch antwoord 133
3.1. Het wezen of de eindige onvrijwilligheid van de mens 134
a. De menselijke eindigheid of vergankelijkheid 134
- Het karakter of de zelfgenoegzame eindigheid 134
- Het ethos als het geheel van ethische systemen 137
b. Logisch-mathematische voorstelling 138
3.2. De eindige vrijheid van de mens 138
a. De menselijke vrijheid 138
b. Logisch-mathematische voorstelling 140
3.3. De menselijke gestalte: tussen noodlot en vrijheid 140
a. De mens als eindige vrijheid 140
b. Logisch-mathematische voorstelling 142
c. Aanvullende opmerking: de mens als burger van twee werelden 142
Besluit: de mens als zelfvoldane vrijheid 143

4. Verrijking van Rosenzweigs fundamentele antropologie vanuit de psychoanalyse 144
4.1. Het metapsychologische denken van Freud 145
4.2. Kritische confrontatie met Rosenzweig 147
a. Het karakter en het onbewuste 147
b. Het ethos en het Über-Ich 148
c. Besluit 148

5. Het tragische spreken als parallel discours 149
5.1. De ruptuur van de taal bij de tragische mens 150
a. Het heroïsche zwijgen bij Aeschylus 151
b. De problematisatie van het zwijgen in de Attische tragedie 151
5.2. De inhoud van het tragische 152
5.3. De kunst 152
Besluit: De Adamitische bestaansconditie van de mens 153

Hoofdstuk V: 155
De paradox van de ervaring en het transcendentale vanuit een taalfilosofisch perspectief

1. De paradox van de ervaring en het transcendentale 155
1.1. De kosmogenese van de protorealiteit - het stukbreken van het monisme 155
1.2. De positieve gestalten als voorwaarden van het leven
en de open¬baringswerkelijkheid 157
1.3. De complementariteit van beide lezingen 158

2. Taalfilosofische reflectie 159
2.1. Uitgangspunt: de tropologische interpretatie van de wijsbegeerte 160
2.2. Metafoor en metonymie 162
2.3. De metonymische structuur van het idealisme 163
2.4. De metaforische reductie 164
2.5. Verschil, taal en tijd 165
a. Identiteit en verschil 165
b. De taal 166
c. De tijd 168
Besluit: een nieuwe benadering van de werkelijkheid 169

Deel II: 172
De openbaring als oriëntatie

Inleiding: De dubbele betekenis van het openbaringsbegrip 173

Hoofdstuk I: 176
De genese van Rosenzweigs openbaringsdenken

1. Historisme en openbaringsdenken 176
1.1. Het historisme als wetenschappelijke methode 176
a. De waardenfilosofie van Rickert 176
b. Het historisme van Meinecke 178
1.2. Het historisme als ideologie 180
1.3. Historisme en openbaringsdenken: de conferentie van Baden-Baden 181
1.4. Ba'al teshoeva: Rosenzweigs terugkeer tot het joodse openbaringsdenken 183
a. Het Leipziger Nachtgespräch 183
- De positie van de gesprekspartners 183
- De ommekeer in Rosenzweigs denken gedurende het nachtgesprek 185
1.5. Atheistische Theologie 186
a. De teloorgang van het openbaringsdenken in de negentiende eeuw 187
b. Atheistische Theologie 188
c. Besluit 189

2. De openbaring als oriëntatie: de correspondentie van 1916 190
2.1. Interpretatie van de correspondentie 190
a. Historische gegevens 190
b. De persoonlijke verhouding van de correspondenten 192
2.2. Hoofdthema: een nieuw denken van de openbaring 193
2.3. De betekenis van de taal voor de openbaringswerkelijkheid 196
a. De taal als innerlijke monoloog 196
b. Angewandte Seelenkunde 197
- Uitgangspunt: het probleem van de vertaling 197
- Implicaties voor de psychologie 198
- De grammatische taal als formatief voor de Seele 200
Besluit: Nabijheid en afstand tussen Rosenstock en Rosenzweig 202

3. De Urzelle als neerslag van de genese van Rosenzweigs openbaringsdenken 204

Hoofdstuk II: 206
Een nieuwe benadering van de paradoxaliteit

1. De uitwendige verhouding tussen Stern I en Stern II 207
1.1. Schellings Spätphilosophie 207
1.2. De correlatiemethode van Cohen 208
1.3. De profetische openbaringsstructuur van het wonder 211
a. Dood en wonder in het moderne denken 212
b. De openbaringsstructuur van het wonder 212
- Jehuda Halevi en Rosenzweig over het wonder 212
- Het wonder als teken 214
c. Een nieuw openbaringsdenken en de structuur van de Stern 216

2. De multiperspectiviteit: de innerlijke paradox 217
2.1. Het openbaringsdenken van Rosenstock-Huessy 217
2.2. Het Konstruktionsgesetz 219
a. Van chaos naar ordening 219
b. 'Die Welttag des Herrn' 220
c. De nieuwe eenheid van de werkelijkheid 222

3. Besluit: de transformatie van de initiële paradox en consequenties voor de ethiek 223

Hoofdstuk III: 226
De schepping, basis van een objectieve wereld

Inleiding 226

1. Systemische benadering: de schepping als kosmologisch gebeuren 226
1.1. De goddelijke scheppingsactiviteit 226
a. De ommekeer van de goddelijke gestalte 226
b. De goddelijke scheppingsmacht als wezenlijke eigenschap 228
- De goddelijke wijsheid en de goddelijke almacht 229
- Willekeur of noodzaak van de schepping 229
- Het vraagstuk van de theodicea 231
1.2. De creatuurlijkheid van de wereld 232
1.3. De scheppingsrelatie als relatie tussen God en de wereld 233

2. De schepping als openbaringsrealiteit 234
2.1. De taal als transcendentale structuur van de schepping 235
a. Een Kantiaanse inspiratie 235
b. met een originele aanpak 235
c. De taal als nieuw denkorganon 236
2.2. 'Grammatik des Logos' 237
a. De basiswet van de Grammatik 238
b. De stamwoorden en de categorieën 239
- Het predicaat als stamwoord en de ruimte 239
De afgeleide categorieën 240
- De copula als stamwoord en de tijd 241
De paradigma's als afgeleide categorieën 241
2.3. Een geformaliseerde benadering van het scheppingsepos: Genesis 1 243
a. Een grammaticale analyse van de woordvormen 243
b. De schepping als voorportaal van de openbaring 245

3. Weerlegging van het idealisme 246
3.1. De basismetafoor van het idealisme 246
3.2. De vooronderstellingen en grenzen van het idealisme 247
a. De chaos 247
b. De idealistische subjectiviteit 248
3.3. De inwendige structuur van het idealistische denken 249
a. De Logik 249
- Confrontatie met de logica van de schepping 250
- Het primaat van het begrip in het idealisme 251
b. De Ethik 251
c. De Religionsphilosophie en de Ästhetik 252

Besluit: de schepping als mogelijkheid van de ethiek 253

Hoofdstuk IV: 255
De openbaring, ethische oriëntatie van de mens

Inleiding: de oorspronkelijkheid van Rosenzweigs openbaringsdenken 255

1. Systematische benadering: de openbaring als liefdesgebeuren 256
1.1. De functie van de openbaring in het geheel van de werkelijkheid 256
a. De openbaring als de overwinning van de dood in de schepping 257
b. Natuur en openbaring 259
1.2. De goddelijke openbaring 259
a. De goddelijke openbaring als liefdesgebeuren 260
b. De liefde als garantie van de schepping 261
c. Beschrijving van de kenmerken van de openbaring 261
1.3. De openbaring aan de mens 263
a. De openbaring als metanoia van de vrijheid 264
b. De bekeerde vrijheid of de deemoed als antropologische eigenschap 265
c. De asymmetrische openbaringsrelatie 266
d. De menselijke wederliefde als trouw 267

2. De openbaring op existentieel niveau 268
2.1. De responsorische structuur van de openbaring 268
2.2. Grammatik des Eros 270
a. De taal van de schepping en de taal van de openbaring 270
b. Stamwoord 270
c. De momenten van de responsorische openbaringsstructuur 271
- De oriëntatie in de ruimte 271
Adam, de eerste mens 271
Abraham, de eerste gelovige 273
- De oriëntatie in de tijd 275
d. Antwoord van de mens 276
- Schaamte 277
- Zondebesef en verzoening 277
- De geloofsbekentenis 277
- De kennis van God 278
e. De naamopenbaring 279
Besluit 280
2.3. Een grammatische analyse van het Hooglied 281

Besluit: de openbaring als vooronderstelling van de ethiek 283

Hoofdstuk V: 284
De verlossing, ethiek en psalmzingen

Inleiding: de verlossing als ethische relatie 284

1. Systematische benadering: De heilige mens en de vol¬tooiing van de kosmos 286
1.1. De ethische gedrevenheid van de mens 287
a. De mystieke ziel 287
- Het akosmisme en de 'onzedelijkheid' van de mysticus 288
b. De heilige of de knecht van God 290
c. Ethiek als liefdeshandelen 292
1.2. De voltooiing van de schepping: het Rijk Gods 293
a. De naaste als representant 293
b. De verlossing als voltooiing van de schepping 295
c. De verlossing van de wereld: het komende Rijk 296
- De levende gestalten 296
- De wereld als gestalte van het Rijk 297

2. Grammatik des Pathos: perspectief op de ethiek 298
2.1. De overstijging van de double-bind situatie van de ethiek 299
a. De paradox van de ethische opgave 299
b. De correlatie: de goddelijke verlossing als het perspectief op mens en wereld 300
2.2. Grammatik des Pathos 303
a. Stammsatz 303
b. De samenzang als performatieve taaldaad 304
- De uitnodiging tot gemeenschapsvorming:
De cohortatief als tijd van de toekomst 304
- De gratuïteit: de datief als naamval van de exterioriteit 305
c. De interpersoonlijke relatie van de verlossing: de dualis 306
d. De verlossing van de schepping: de eerste persoon meervoud 307
e. Het gericht en de bevestiging van de gemeenschappelijkheid:
de tweede persoon meervoud 307
f. Kritische bedenking 308
2.3. Een grammaticale analyse van de psalmen 308
a. De psalm als Steigerung van de openbaring naar de verlossing 308
b. Grammaticale analyse van Psalm 115 309

Besluit: de verlossing als voltooiing van de ethiek 310

Hoofdstuk VI: 311
De paradox van de ethische relatie en het trans¬ethische vanuit een ethisch perspectief

1. Ethiek als tragiek: de eerste persoon 312
1.1. Atheïsme en atopisme: ethiek als axiologische en structurele separatie 313
1.2. Rosenzweig en de existentialistische fenomenologie 314
1.3. Ethiek als het torsen van de lichtheid en de zwaarte van het bestaan 318

2. Ethiek als engagement: de tweede persoon 321
2.1. De openbaring als principe aan gene zijde van de vrijheid 321
2.2. De paradoxaliteit van openbaring en ethiek: het transethisch heden 325
2.3. Vrijheid, transcendentie en Godsgeloof 327
a. De verschijning van de tweede persoon 327
b. Een narratieve invulling vanuit het Godsgeloof 329
c. Particulariteit en universaliteit 330
d. Rosenzweigs interpretatie van de islam 332
e. Exterioriteit en Godsgeloof 334

3. Ethiek als poëtiek: de derde persoon 335
3.1. Het transethische verleden: de aanwezigheid van de geschapen wereld 335
a. De wereld als bron van overvloed 335
b. De wereld als zijnstekort 337
c. Het sociale handelingsveld 339
d. Ethiek en waarheid 342
3.2. Perspectief: een transethische toekomst 342

Deel III: 345
De waarheid als voltooiing

Hoofdstuk I: 347
Het eenheidsperspectief van de paradoxaliteit

1. Rosenzweigs keuze voor het jodendom 350
1.1. Op het kruispunt tussen christendom en jodendom 350
a. Een mogelijke stap naar het christendom 351
b. 'Ich bleibe also Jude' 351
c. De rechtstreekse Godsrelatie in het jodendom 352
d. De wederzijdse erkenning van jodendom en christendom 353
1.2. Korte thematische vergelijking van jodendom en christendom 354
a. Moria en Golgotha 354
b. De joodse verstoktheid 355
c. De plaats van de synagoge tegenover wereld en kerk 356

2. Geschiedenis en waarheid in Hegels denken 356
2.1. Belangrijke antecedenten 356
2.2. Rosenzweig en Hegels staatsfilosofie 358

3. Het gebed als de doorbraak van de eeuwige waarheid in de actuele tijd 359
3.1. De theologische en antropologische realiteit van het gebed 359
3.2. Het impact van het gebed op de tijdsbeleving van de individuele mens 362
3.3. De mogelijkheid van de magie en de tirannie 363
3.4. De kairos van het gebed 365
3.5. De kerkgeschiedenis als secularisatiebeweging 367
3.6. Het collectieve gebed als overstijging van het perspectivistische horizontalisme 370
3.7. Het gebed als collectieve beleving van de eeuwigheid 372
Besluit 374

Hoofdstuk II: 375
De complementaire beleving van tijd en eeuwigheid in het jodendom en het christendom

1. De joodse en de christelijke verhouding tot de geschiedenis 377
1.1. Het joodse bestaan (lot): de scheiding ten opzichte van de historische tijd 377
a. Het jodendom en het land 380
Excursus: Rosenzweig en het zionisme 382
b. Het joodse volk en de taal 384
c. Het jodendom en de wet 387
d. Besluit 388
1.2. De christelijke geschiedenis of de weg door de tijd 389
a. Het christendom als godsdienst van de incarnatie 390
b. Het christendom als geschiedenismakend gebeuren 392
c. Het christendom en de vooruitgangsideologie 395
d. De christelijke gemeenschap 397
e. Besluit 398

2. Jodendom, Christendom en de politiek 399
2.1. Het jodendom en de wereldgeschiedenis 399
a. Het jodendom als corpus alienum 399
b. Het jodendom onder de volkeren 400
c. Hegel en Rosenzweig over de plaats van het jodendom 401
2.2. Het christendom en de politiek van de volkeren 402
2.3. Besluit en kritische bemerkingen 403

3. Het joodse en christelijke geloofsparadigma: uitverkiezing en incarnatie 405
3.1. De joodse liturgie 406
a. Het staan onder het woord als pedagogie van de joodse gemeenschap 406
b. De structuur van de joodse liturgische cyclus 408
Besluit 410
3.2. De joodse uitverkiezing: particulariteit in universaliteit 411
3.3. De christelijke liturgie 413
a. De christelijke esthetiek 415
b. De structuur van de christelijke liturgische cyclus 416
Besluit 417
3.4. De christelijke incarnatie: de twee wegen van de geschiedenis 418

4. De dialogische betekenis van jodendom en christendom als gestalten van de waarheid 419
4.1. De godsvergetelheid in het christendom 420
4.2. Het eenheidsperspectief van de joodse mystiek 421
a. De verbindingen in God, wereld en mens 421
b. De onderwaardering van wereldlijkheid en menselijkheid in het jodendom 422
c. De verbindingen tussen God, wereld en mens 423
- Merkaba 423
- Shekina 424
- Tikkun-olam 425
d. De mystieke eenheid van de werkelijkheid 425

5. De vraag naar de ultieme transparantie van de waarheid 426

Hoofdstuk III: 430
De transparantie van de waarheid

1. De Griekse en de Hebreeuwse waarheidsopvatting 431
1.1. Waarheid als project 431
1.2. Waarachtigheid als kenmerk 431
a. Het Hebreeuwse __-begrip 432
b. De waarheid als relationaliteit 433

2. De waarheid als kenmerk van de verlossende God 434
2.1. De waarheid als de waarachtigheid van God, de wereld en de mens 434
a. De waarheid van God 435
- God als eenheidsperspectief van de werkelijkheid? 435
- God als Heer, als Alfa en Omega, als Ene 437
b. De waarheid en de werkelijkheid 438
c. Het leven in de waarheid 441
Besluit 442
2.2. Het goddelijke gelaat als hoogtepunt en grens van het menselijke spreken 443
a. De waarheid als het gelaat van de goddelijke figuur 444
b. De taal 445
c. De tijd 446
d. De alteriteit en de waarheid 449
Besluit 450

Hoofdstuk IV: 452
Joods ter¬nair en christelijk trinitair denken in een hedendaagse context

1. Uitgangspunt: Rosenzweig in een hedendaagse context? 452

2. Een topologie van het postmoderne denken 453

3. Denken in tweestromenland: geloof en denken als talige verhouding 458
3.1. Jeruzalem en Athene 458
3.2. De these van de vertaalbaarheid 460
3.3. Tertium datur 464
3.4. Inzet van de discussie 466
a. Taal en rationaliteit 466
b. Universaliteit en particulariteit 467
Besluit 469

4. Het ternaire denken van Rosenzweig 469
4.1. Een dubbele ternaire structuur 470
4.2. De literaire genera als topoi van het ternaire denken 471
a. Plato en de 'logomachie' 471
b. De genera volgens Rosenzweig 473
c. De genera, de persoonsvormen en de tijden 475
d. Aansluiting bij de joodse traditie 477
e. De uitdaging van het ternaire denken 478

5. Joods ternair denken en christelijk trinitair denken 479
Inleidende beschouwing 479
5.1. De vraagstelling ten opzichte van Rosenzweig 480
5.2. De zelfopenbaring Gods in Jezus Christus: het christologische spoor 481
a. De inzet van het christologisch denken 482
b. Vertrekpunt: de Logos-christologie 483
c. De goddelijke openbaring in de tijd 483
5.3. Het trinitaire denken 487
a. De drie goddelijke personen 487
- De Vader 487
- De Zoon 491
- De Geest 492
b. Betrekking van de grammaticale personen op de triniteit 492
c. Een 'spiritualiteit' van de lectuur 494
d. De waarheid als trinitair gebeuren 495

Besluit: De schoonheid van Japhet in de tenten van Shem 497
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Centre for Ethics, Social and Political Philosophy
Research Unit of Theological and Comparative Ethics

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.