ITEM METADATA RECORD
Title: Training intensity, blood pressure, blood pressure regulation and cardiovascular risk factors at higher age
Other Titles: Trainingsintensiteit, bloeddruk, bloeddrukregeling en cardiovasculaire risicofactoren op oudere leeftijd
Authors: Cornelissen, Véronique
Issue Date: 9-Mar-2009
Abstract: Hoge bloeddruk is één van de 10 belangrijkste risicofactoren met een invloed op de algemene gezondheid. Veranderingen in leefgewoonten worden aangeraden ter preventie, maar ook tijdens de behandeling en voor de controle van hoge bloeddruk. Een toename van fysieke activiteit is een belangrijk onderdeel van dit leefstijladvies. Echter, daar waar bloeddruk toeneemt met de leeftijd stellen we vast dat de incidentie en prevalentie van fysieke activiteit sterk afnemen met het verouderen. Het identificeren en verfijnen van efficiënte, veilige en aanvaardbare bewegingsprogramma’s is dan ook van substantieel belang voor de volksgezondheid. Het onderwerp van deze thesis is: “fysieke activiteit als middel om de bloeddruk te controleren”. In de aanloop naar ons onderzoeksproject hebben we eerst twee meta-analyses uitgevoerd. Hiermee werd de invloed van dynamische uithoudingstraining en weerstandstraining op de bloeddruk, en indien mogelijk ook op andere risicofactoren en bloeddrukregelende mechanismen onderzocht. Eerder gepubliceerde meta-analyses waarin de invloed van dynamische uithoudingstraining op de bloeddruk werd onderzocht, inclusief de meest recente, rapporteerden enkel rustbloeddruk. Ons doel was om een uitgebreide meta-analyse uit te voeren waarbij we het effect van dynamische uithoudingstraining wilden nagaan op de rustbloeddruk, maar ook op ambulante bloeddruk, bloeddrukregelende mechanismen en andere cardiovasculaire risicofactoren. Deze meta-analyse omvatte 72 trials, 105 studiegroepen and 3936 deelnemers. We stelden een meer uitgesproken bloeddrukdaling vast in de hypertensieve studiegroepen (-6.9/-4.9 mmHg), hoewel we ook significante bloeddrukdalingen konden observeren in de normotensieve (-2.4/-1.6mmHg) en prehypertensieve groepen (-1.7/-1.7mmHg). Een vergelijkbare daling van de ambulante bloeddruk tijdens de dag (3.3/3.5 mmHg) bevestigde deze resultaten. Verder gaven we aan dat deze bloeddrukdaling hoogstwaarschijnlijk het gevolg is van een daling van de systemische vasculaire weerstand waarin zowel het sympathische zenuwstelsel als het renine-angiotensine-systeem een rol spelen. Tot slot vonden we dat dynamische uithoudingstraining ook een gunstige invloed heeft op andere cardiovasculaire risicofactoren: een toename van HDL cholesterol en een vermindering van het lichaamsgewicht, de vetmassa, de middelomtrek, triglyceriden, glucose, insuline en de HOMA-index van insuline resistentie. Dit alles samen beantwoordt aan een globale verbetering van het cardiovasculaire risico. Tegenwoordig wordt weerstandstraining meer en meer opgenomen in bewegingsprogramma’s die gezondheid promoten. In tegenstelling tot wat vroeger werd aangenomen vonden we geen chronische verhoging van de bloeddruk na weerstandstraining. Echter, in schril contrast met dynamische uithoudingstraining konden we slecht 9 trials (12 studiegroepen, 341 deelnemers) identificeren die de invloed van weerstandstraining op de bloeddruk hebben onderzocht. Deze weerstandsprogramma’s veroorzaakten een significante bloeddrukdaling van 3.2/3.5 mm Hg. Deze bloeddrukdaling was onafhankelijk van de trainingskarakteristieken; maar er is zeker meer onderzoek aangewezen met betrekking tot deze trainingsmodaliteit. Onze meta-analyse over dynamische uithoudingstraining kon geen sluitend antwoord geven op de vraag of de trainingsgeïnduceerde bloeddrukdalingen verschillen naargelang trainingsintensiteit. Dit is echter van groot belang voor een oudere populatie. Daarom werd een gerandomiseerde gecontroleerde cross-over studie opgezet waarmee we de invloed van trainingsintensiteit op bloeddruk, cardiovasculaire risicofactoren en bloeddrukregelende mechanismen wilden onderzoeken in gezonde sedentaire 55-plussers. 48 van de 234 subjecten die gereagereerd hadden op onze oproepen konden worden opgenomen in deze studie die bestond uit 3 periodes van 10 weken. In de eerste en derde periode oefenden de deelnemers aan respectievelijk, lagere intensiteit (LI) (33% van HRR) en hogere intensiteit (HI) (66% van HRR) in gerandomiseerde volgorde. Tussenin was een sedentaire wash-out rustperiode. De deelnemers oefenden 3 maal per week gedurende 1 uur per sessie, onder supervisie. De volgende metingen werden uitgevoerd bij aanvang van de studie en na afloop van iedere 10 weken durende periode: 1) antropometrie, 2) meting van de bloeddruk in rust, tijdens inspanning en tijdens het herstel van de inspanning, 3) 24-uur ambulante bloeddrukmonitoring, 4) een submaximale en een maximale gegradeerde inspanningstest op de fiets, 5) spectraalvermogenanalyse van hartfrequentie en systolische bloeddrukvariabiliteit in rust en gedurende herstel van inspanning, 6) een nuchtere bloedafname, 7) 24-uur urinecollectie, en 8) een vragenlijst over leefstijlgewoonten. Verder werd bij een deel van de deelnemers een MRI van het hart uitgevoerd voor functionele and structurele analyse van het hart. Met dit onderzoeksproject wilden we nagaan 1) of training aan LI een invloed heeft op de bloeddruk, andere cardiovasculaire risicofactoren en bloeddrukregelende mechanismen en 2) of dit effect vergelijkbaar is met training aan HI maar met dezelfde duur, frequentie and modaliteiten van training. 39 van de 48 gerandomiseerde deelnemers konden worden opgenomen in de uiteindelijke analyse. In een eerste luik van dit onderzoeksproject toonden we aan dat uithoudingstraining aan LI, 3 maal 1 uur per week, reeds het aërobe vermogen verhoogt bij deze deelnemers, maar in mindere mate dan trainen aan een HI. Verder stelden we vast dat trainen aan LI reeds kan leiden tot een verbetering van cardiovasculaire risicofactoren, voornamelijk een bloeddrukdaling, hoewel trainen aan HI een meer uitgesproken en meer globaal effect leek te hebben op het cardiovasculaire risico. Namelijk, beide trainingsprogramma’s hadden een vergelijkbaar effect hebben op de systolische bloeddruk in rust, onafhankelijk van het meettoestel en de positie waarin de bloeddruk werd gemeten, en op de systolische bloeddruk tijdens inspanning; d.i. ongeveer -4 tot -6 mmHg. De daling van de diastolische bloeddruk in rust was iets meer uitgesproken na trainen aan HI. Bovendien had enkel trainen aan HI een gunstig effect op het lichaamsgewicht, op de lichaamssamenstelling en op sommige bloedlipiden (d.i. triglyceriden en geoxideerd LDL). Verder toonden we aan dat de trainingsgeïnduceerde dalingen van de rust- en inspanningsbloeddruk niet altijd overeenkomen met de grootte en/of richting van de veranderingen in de ambulante bloeddruk tijdens de dag. We vonden immers geen trainingseffect op de ambulante bloeddruk tijdens de dag. We raden daarom ook aan dat de verschillende meettechnieken gebruikt worden in de evaluatie van de doeltreffendheid van fysieke activiteit. Desalniettemin, ondanks de afwezigheid van een trainingseffect op ambulante bloeddruk is het gezien onze resultaten en vanuit een volksgezondheidsperspectief aangeraden om in de leeftijdsgroep van onze studie fysieke activiteit aan te moedigen, zelfs aan lagere intensiteit, om zo het risico op cardiovasculaire aandoeningen te verminderen en de bloeddruk te controleren. Naast de gunstige effecten van chronische dynamische uithoudingstraining op de bloeddruk kan een bloeddrukverlaging na een acute inspanning een bijkomend middel worden om de bloeddruk te controleren. Dit geldt zeker voor mensen met een verhoogde bloeddruk, maar het bewijs is minder overtuigend voor mensen met normotensie. Aangezien de meeste studies over bloeddrukdalingen na inspanning voornamelijk uitgevoerd werden in sedentaire populaties hebben we ons in het tweede gedeelte van dit onderzoeksproject gefocust op de invloed van uithoudingstraining op hypotensie na een acute inspanning. Verder hebben we ook de invloed van uithoudingstraining op het hartritmeherstel na inspanning bekeken, en op hartritmevariabiliteit in rust en gedurende herstel na inspanning. Gezien het feit dat de meeste van onze deelnemers een normale tot hoognormale bloeddruk hadden was het niet volledig onverwacht dat de systolische bloeddruk na de acute inspanning niet significant lager was dan de rustbloeddruk voor de inspanning. Echter, het is belangrijk om aan te geven dat regressieanalyse een iets lagere systolische bloeddruk na acute inspanning onthulde in de deelnemers met een hogere systolische rustbloeddruk voor inspanning. Verder merkten we een meer uitgesproken daling van het hartritme op na trainen aan HI in vergelijking met trainen aan LI, en dit zowel in rust, tijdens inspanning en tijdens herstel van inspanning. De terugtrekking van het parasympatische zenuwstelsel was meer dan waarschijnlijk verantwoordelijk voor het hogere hartritme gedurende de eerste 45 minuten na inspanning, hoewel ook andere fenomenen hierin een rol kunnen hebben gespeeld. Tot slot konden we geen trainingseffect op hartritmevariabiliteit in rust en na inspanning vaststellen, noch vonden een verschillend effect op HRV tussen trainen aan LI en HI. Het snellere herstel van het hartritme na trainen aan HI is vermoedelijk daarom niet volledig toe te schrijven aan verschillen in sympathovagaal evenwicht. In het laatste deel van dit onderzoeksproject onderzochten we de invloed van beide trainingsprogramma’s op mogelijke bloeddrukverlagende mechanismen, d.i. het autonome zenuwstelstel, plasmarenineactiviteit, insulineresistentie en endotheelfunctie. Verder hebben we ook gekeken naar het effect van deze trainingsprogramma’s op merkers van systemische inflammatie en op de structuur en werking van het hart. We vonden dat de cardiovasculaire aanpassing aan training gekenmerkt was door een toename van het slagvolume en een daling van het hartritme welke meer dan waarschijnlijk resulteerde in een onveranderd hartdebiet. Aangezien de bloeddruk gelijk is aan het product van het hartdebiet en de systemische vasculaire weerstand; en vermits het hartdebiet onveranderd is na training is de waargenomen bloeddrukdaling hoogstwaarschijnlijk het gevolg van een verminderde systemische vasculaire weerstand. Ondanks het feit dat we verschillende trends konden waarnemen met betrekking tot het effect van training op de bovengenoemde mechanismen slaagden we er niet in een duidelijk significant trainingseffect te vinden. De mechanismen met een bloeddrukverlagend effect zijn meer dan waarschijnlijk multifactorieel en er bestaat ook een zeker interindividuele variabiliteit met betrekking tot de invloed van training op elk van deze afzonderlijke mechanismen. Daar onze studie gepowered was om een trainingseffect op de SBP te kunnen vaststellen is het meer dan waarschijnlijk dat onze steekproef onvoldoende groot was om een klein effect op ieder van de individuele geassocieerde bloeddrukverlagende mechanismen te detecteren. Naast hypertensie en atherosclerosis wordt ook verouderen gekenmerkt door endotheeldisfunctie. Deze endotheeldisfunctie gaat de vorming van plaques vooraf en heeft een prognostische waarde voor cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit. In deze studie vonden we kleine aanwijzingen voor een verbetering van de endotheelfunctie; met name een afname van sE-selectine en fibrinogeen en een trend naar lagere waardes voor von Willebrand Factor. Dit versterkt het hartbeschermend effect van fysieke activiteit, hoewel dit moet bevestigd worden door meer uitgebreid onderzoek.
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Exercise Physiology Research Group
Hypertension and Cardiovascular Epidemiology
Research Group for Cardiovascular and Respiratory Rehabilitation

Files in This Item:

There are no files associated with this item.

Request a copy

 




All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.