ITEM METADATA RECORD
Title: EU ordre public.
Other Titles: Openbare orde in de Europese Unie.
Authors: Corthaut, Tim
Issue Date: 3-Apr-2009
Abstract: Dit proefschrift onderzoekt de positie van het concept ‘openbare orde’, waarmee ik verwijs naar het complex van normen die de kern vormen van een politieke entiteit (in dit geval de EU) en een reflectie bieden van de fundamentele en beschermingswaardige keuzes van die entiteit met betrekking tot de politieke, economische, sociale en culturele orde van die entiteit. Eens is aangetoond dat dit concept een plaats heeft in de rechtsorde van de EU moeten verdere vragen worden beantwoord, zoals de vraag hoe dit concept in de praktijk moet worden gebracht, de vraag welke waarden er precies worden beschermd en de vraag hoe dit alles zich verhoudt tot gelijkaardige concepten in de rechtsordes van de 27 Lidstaten van de Unie. De overkoepelende stelling van dit proefschrift is dat de Europese Unie inderdaad een eigen openbare orde concept heeft dat weliswaar geïnspireerd is op het concept van de Lidstaten maar niettemin toch autonoom is. Bovendien kan de inhoud van dit concept worden geïdentificeerd en is het mogelijk om de praktische gevolgen van de status als norm van openbare orde van de Unie te differentiëren in functie van de procescontext, en de verschillende betrokken actoren, in het bijzonder de Lidstaten, de EU instellingen en private partijen. In Deel I van het proefschrift worden contouren van een concept van openbare orde op het niveau van de Europese Unie in beeld gebracht. In een eerste hoofdstuk wordt geargumenteerd dat het noodzakelijk is dat een dergelijk concept bestaat op het niveau van de Unie. Daarbij wordt in de eerste plaats gewezen op het feit dat alle zes stichtende Lidstaten in hun interne recht verwante begrippen kennen. Ten tweede is het begrip ook van belang in de context van het IPR en het internationale handelsrecht, twee domeinen waarop de Unie zelf een bijzondere impact heeft. Ten derde is het concept ook verwant aan concepten uit het internationaal publiekrecht, zoals jus cogens en internationale misdrijven; dit moet uiteraard een weerslag hebben op de EU als internationale organisatie. Ten vierde, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het hart van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) een ‘European Public Order’ geïdentificeerd met de harde kern van de grondrechtenbescherming in een democratische rechtsstaat. Aangezien alle Lidstaten partij zijn bij het EVRM lijkt het cruciaal dat ook dit concept wordt gereflecteerd binnen de EU rechtsorde. Tegen deze achtergrond worden in een tweede hoofdstuk enkele bespiegelingen gemaakt over hoe het concept openbare orde dat oorspronkelijk ontwikkeld is in de context van klassieke natiestaten kan worden overgeplant naar een autonome multi-level rechtsorde zoals de Europese Unie. In het bijzonder worden vier mogelijke situaties naar voor geschoven over de mogelijke verhouding tussen het openbare orde concept in de Unie en de gelijkaardige concepten van de Lidstaten. Elk van deze situaties onthult iets over de mogelijke inhoud, in het bijzonder de waarden die beschermd worden, en de autonomie van het concept openbare orde in de EU. In de eerste plaats, is er een kleine categorie met normen die heel specifiek zijn voor de EU rechtsorde, met onder meer normen over bevoegdheden, de instellingen en de euro, ook al is er daar vaak een analogie mogelijk met de lidstaten. In de tweede plaats zijn er die gevallen waarbij de waarden uit de nationale rechtsordes en de EU rechtsorde samenvallen; dat is onder meer het geval bij de grondrechten uit het EVRM die ook ik het kader van het Handvest van de Grondrechten van de Unie worden beschermd. Ten derde zijn er waarden die veeleer specifiek zijn voor een bepaalde Lidstaat, maar niettemin door de Unie worden getolereerd. Mooie voorbeelden zijn het Ierse abortusbeleid zoals aan de orde in de zaak Grogan of het Duitse concept van menselijke waardigheid dat centraal stond in de zaak Omega Spielhallen, twee zaken die ook doorheen het proefschrift uitvoerig aan bod komen. Ten slotte is het niet ondenkbaar dat bepaalde nationale waarden niet verenigbaar blijken met het lidmaatschap van de EU. Deze vier scenario’s zetten de toon voor de diepere analyse in de overige delen van het proefschrift, waar gepeild wordt naar de inhoud van de openbare orde van de Unie en de relatie tussen het Unieconcept en de grondwaarden van de Lidstaten, waarbij de nadruk wordt gelegd om enkel sleutelbegrippen van EU constitutioneel recht, zoals grondrechten, voorrang, subsidiariteit en nationale procedurele autonomie. Als laatste voorbereidende stap voor die analyse worden in het derde hoofdstuk nog enkele methodologische keuzes naar voor geschoven over de manier waarop die verhouding het best kan worden geanalyseerd. De keuze valt op een analyse van de rechtspraak van het Hof van Justitie, die niet ongevoelig is voor de rechtscheppende rol van Hof van Justitie Deel II van het proefschrift biedt een overzicht van de verschillende contexten waarin het begrip openbare orde – of verwante concepten – een rol speelt in het EU recht. In een eerste hoofdstuk wordt dieper ingegaan op verwijzingen naar het concept in het EU-Verdrag en het EG-Verdrag. In de eerste plaats volgt een analyse van de openbare orde uitzonderingen in het kader van het vrij verkeer. Hoewel auteurs hier eerder ruim aandacht aan hebben besteed, was er toch de mogelijkheid om enkele nieuwe accenten te leggen, in het bijzonder met betrekking tot de relatie tussen het vrij verkeer van personen en de bepalingen van de Schengen-Overeenkomst en met betrekking tot het gebruik van de term ‘openbare orde’ in het kader van het burgerschap van de Unie. Bovendien wordt geargumenteerd dat het concept openbare orde wat moet worden genuanceerd als het Hof van Justitie verder het pad bewandelt dat lijkt ingeslagen met de arresten Laval en Viking waarbij de bepalingen over het vrij verkeer ook kunnen worden ingeroepen tegen quasiprivate personen, zoals vakbonden, die vaak een hybride rol hebben als partners in het sociaal overleg met niettemin ook een zekere anti-establishment rol. Voor die gevallen schuift het proefschrift naast de openbare orde uitzondering ook een exception de désordre privé naar voor. Verder wordt ook toegelicht wat de rol van het concept is in de context van het mededingingsrecht, waar geen expliciete analoge uitzondering bestaat. Ten slotte wordt ook gekeken naar de algemene derogatiebepaling van Artikel 297 EG-Verdrag en de heel specifieke uitzonderingen op de bevoegdheid van het Hof van Justitie op het domein van de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht. Een tweede hoofdstuk focust op de actie die de EU zelf onderneemt om de basiskeuzes met betrekking to de politieke, economische, sociale en culturele orde te beschermen. In dit verband wordt aandacht besteed aan hoe de openbare orde aan bod komt in de context van harmonisatiemaatregelen. Bijzondere nadruk wordt gelegd op de graduele ontwikkeling van een EU strafrecht. In het proefschrift wordt de stelling verdedigd dat het EU strafrecht, enerzijds, een indicatie biedt van welke waarden de Unie zo fundamenteel acht dat ze via het strafrecht moeten worden beschermd, terwijl anderzijds, de constitutionele waarborgen die in het kader van dit strafrecht worden herbevestigd minstens evenzeer als deel van de openbare orde van de Unie moet worden beschouwd. Een derde hoofdstuk handelt over de rol van concepten gelieerd aan de openbare orde in de internationale betrekkingen van de Unie. Een korte sectie behandelt de status van jus cogens normen in de EU rechtsorde, onder meer in het kader van het – weliswaar recent hervormde – arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg in de zaken Yusuf en Kadi. Veel meer aandacht gaat naar het gebruik van het concept openbare orde in de context van de verschillende IPR instrumenten, in het bijzonder Verordening 44/2001, die de Unie de voorbije jaren heeft aangenomen. De stelling wordt naar voor geschoven dat de openbare orde uitzondering in die instrumenten vooral dient als ultimum remedium om systeemgebreken op te vangen. Vaak zullen die betrekking hebben op een schending van de rechten van verdediging, zoals in Krombach, maar de stelling is verdedigd dat er ook omstandigheden kunnen zijn waar een vonnis of arrest dat is gewezen met duidelijke miskenning van een kwestie van EU recht, en waarbij ook het hoogste rechtscollege geweigerd heeft om volgens de voorwaarden van het arrest CILFIT de kwestie voor te leggen aan het Hof van Justitie. De stelling dat de openbare orde een instrument kan bieden om systeemgebreken op te vangen wordt in een veel ruimere context verder uitgewerkt in het vierde hoofdstuk van het tweede deel, waarbij die stelling gebruikt wordt om het evenwicht te verklaren tussen voorrang en nationale procedurele autonomie, en om een gefundeerd antwoord te geven op een reeks procedurele vragen, zoals de vraag wanneer rechters uit eigen beweging normen van EU recht moeten opwerpen, zowel in ex equatur procedures als in normale geschillen; of de vraag wanneer een nationale rechter het res judicata effect van een nationaal vonnis of arrest aan de kant moet schuiven. In het bijzonder het vraagstuk van de ambtshalve toepassing van het EU recht krijgt ruime aandacht. Enerzijds wordt een verklaring geboden voor de vele, schijnbaar tegenstrijdige, arresten van het Hof van Justitie waarbij nationale rechters afwisselend wel en niet worden verplicht om bepaalde normen uit eigen beweging op te werpen. Naaste de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit, als uitzonderingen op het beginsel van nationale procedurele autonomie, wordt daarbij ook gewezen op het vereiste van effet utile van bepaalde EU wetgeving, in het bijzonder op het gebied van consumentenbescherming. Anderzijds wordt ook geanalyseerd wanneer de EU rechtscolleges ambtshalve normen van EU recht moeten opwerpen, zowel in rechtstreekse beroepen als in prejudiciële procedures. De focus van de sectie is op de situatie de lege lata, waarbij er niettemin voor een vrij liberale aanpak wordt gepleit waarbij het niet zo uitzonderlijk hoeft te voor de EU rechtscolleges om ambtshalve EU recht op te werpen. Tezelfdertijd vormt die analyse de basis voor de suggestie de lege ferenda in Deel V dat het Hof van Justitie voortaan ook grondrechten uit eigen beweging zou moeten opwerpen in rechtstreekse beroepen. Ten slotte wordt ook kort aandacht besteed aan het gebruik van de openbare orde, of het gerelateerde begrip loi de police in de context van contracten met een EU recht dimensie. Het concept openbare orde in al zijn verschillende verschijningsvormen is dus gebruikt als kompas doorheen het hele EU recht. In Deel III van het proefschrift wordt die analyse herhaald, maar deze keer wordt de focus verlegd van de technieken om de openbare orde te beschermen in een EU context naar de analyse van de verschillende normen en waarden die bescherming verdienen als openbare orde van de Unie. Vertrekkende van de verwijzing in de tentatieve definitie naar de politieke, economische, sociale en culturele orde, volgt een analyse van de waarden van de openbare orde van de Unie in functie van die vier dimensies, waarbij echter erkend wordt dat verschillende waarden ook een rol kunnen spelen over die vier categorieën heen – het beste voorbeeld daarvan is wellicht het burgerschap van de Unie. Met betrekking tot de politieke orde de stelling is verdedigd dat de openbare orde van de EU zowel de institutionele orde beschermd als een reeks fundamentele constitutionele waarden. De institutionele orde omvat regels met betrekking tot de (fysieke) veiligheid van de actoren en documenten in het besluitvormingsproces; de basisregels met betrekking tot het functioneren van de instellingen en het besluitvormingsproces (in het bijzonder de bevoegdheidsverdelende regels en de bijzondere vormvoorschriften). Verder gaat het ook over beginselen die tot doel hebben de effectiviteit van het Unierecht te verzekeren, zoals voorrang en rechtstreekse werking en regels ter bescherming van de financiële belangen van de EU. De reeks constitutionele waarden in het hart van de politieke orde is nog meer gevarieerd. Het belang van de bescherming van de internationale rechtsorde en de rechtsstaat worden als essentiële elementen van de openbare orde van de Unie naar voor geschoven. Bovendien wordt de nadruk gelegd, als tegengewicht voor die constitutionele beginselen die de effectiviteit van het EU recht benadrukken en daarmee een erg centraliserende rol hebben, op de openbare orde status van die beginselen die de rol van de Lidstaten proberen te beschermen, in het bijzonder de beginselen van subsidiariteit en nationale procedurele autonomie. Eveneens in dit hoofdstuk wordt uitdrukkelijk de stelling verdedigd dat het Europees burgerschap een belangrijke plaats verdiend in het kader van de openbare orde van de Unie. Dit is niet enkel zo omdat het Europees burgerschap de onderdanen van de Lidstaten tot actoren in het Europese politieke proces transformeert, maar ook omwille van de belangrijke emancipatorische kracht die van het vrij verkeer van personen uitgaat. Als laatste van de reeks constitutionele beginselen wordt, geheel in lijn met de nadruk die in Deel I wordt gelegd op de ontwikkeling van een ‘European Public Order’ door het EHRM, ook een plaats gegeven aan de grondrechten, daarin begrepen het non-discriminatiebeginsel, in het bepalen van de waarden die beschermd worden in het kader van de openbare orde van de Unie. Wat de economische orde betreft worden in het proefschrift vijf domeinen geïdentificeerd die relevant blijken voor de openbare orde in de EU. Ten eerste wordt de lex moneta van de euro onder de loep genomen. Ten tweede blijkt uit de rechtspraak en de Verdragen dat de economische mededinging een belangrijke component is van de openbare orde van de Unie. Ten derde, verder bouwend op het inzicht dat achter het concept van vrij verkeer van personen een belangrijke emancipatorische kracht schuilgaat die gelinkt kan worden aan de menselijke waardigheid – een punt dat al ontwikkeld wordt met betrekking tot het Europees burgerschap – wordt de stelling verdedigd dat de essentie van de vier vrijheden eveneens bescherming verdienen in het kader van de openbare orde van de Unie; iets waar niet aan de weg wordt gestaan door het bestaan van openbare orde excepties in het kader van het vrij verkeer. Ten slotte wordt gewezen op de bijzondere bescherming die geboden wordt door het consumentenbeschermingrecht van de Unie en het beperkte – maar vaak vrij effectieve – EU sociaal recht. Vanuit die laatste punten is het slechts een kleine stap naar de bescherming van de sociale orde. In dit verband wordt aandacht besteed aan de bescherming van de volksgezondheid en de goede zeden. Er wordt ook een verband gelegd met het vreemdelingenrecht en het EU strafrecht. Ten slotte wordt gewezen op de aarzelende ontwikkeling van een Europese ordre public écologique. Ten slotte, in het kader van de culturele orde, besteedt het proefschrift vooral aandacht aan de linguïstieke diversiteit van de Unie. Daarbij wordt de in de Belgische context wat omstreden stelling verdedigd dat het opleggen van een taalvereiste voor de toegang tot bepaalde diensten niet a priori tegen het EU recht hoeft in te gaan, en zelfs een expressie kan zijn van de gevoeligheid van de openbare orde van de Unie voor culturele diversiteit. Niettemin, moet de impact hiervan niet worden overschat, en moeten dergelijke beperkingen uitdrukkelijk worden afgewogen in het licht van de gelijke behandeling en de grondrechten. Het is duidelijk dat het EU recht geen vehikel kan zijn voor xenofobie. Het voorbeeld over taalvereisten toont aan hoe verschillende waarden, die allemaal als een kwestie van openbare orde kunnen worden beschouwd op het niveau van de Unie, soms tegen elkaar moeten worden afgewogen. Bovendien worden die belangen vaak ook in meer of mindere mate beschermd in de nationale rechtsorde. Om die reden wordt in Deel IV een poging ondernomen om the beschrijven hoe de eisen van de openbare orde van de Unie verzoend kan worden met de nationale rechtsordes, en ook hoe de Unie intern de verschillende belangen beschermd door de openbare orde van de Unie tegen elkaar afweegt. De analyse valt uiteen in drie delen. Eerst wordt de verhouding tussen de EU rechtsorde en de nationale rechtsordes onderzocht. Vervolgens, zij het ietwat beknopter, wordt aandacht besteed aan het afwegen van conflicterende waarden in de schoot van de Unie. Ten slotte worden beide sporen samengebracht in een beperkte casestudy over de status van het homohuwelijk in de context van het EU recht. De verhouding tussen de Europese en nationale rechtsordes toont zich als vrij complex en genuanceerd. Enerzijds, een analyse wordt gemaakt van drie basisbeginselen die de autonomie en de suprematie van de EU rechtsorde bevestigen, in het bijzonder pre-emption, voorrang en het effectiviteitbeginsel. Anderzijds moeten deze beginselen sterk genuanceerd worden in hun praktische toepassing. In de eerste plaats, gaat het proefschrift de dialoog aan met recente evoluties in de rechtsleer over hoe beide niveaus met elkaar kunnen worden verzoend, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan het idee van contrapunctual law en de impact van het beginsel van loyale samenwerking. In de tweede plaats, een reeks technieken worden tegen het licht gehouden waarmee het Hof van Justitie in recente rechtspraak getracht heeft – vaak met enig succes – om een directe confrontatie tussen de rechtsorde van de Unie en de rechtsorde van een van de Lidstaten te vermijden. Aan de hand van een reeks voorbeelden wordt geïllustreerd hoe de EU rechtsorde soms de nationale waarde integreert. Het beste voorbeeld daarvan is de grondrechtenbescherming. Niettemin, als een meer controversiële nationale norm aan de orde is zoekt het Hof van Justitie naar andere uitwegen, onder meer door het probleem te omzeilen, zoals in Grogan, of de waarde slechts te tolereren in de heel specifieke nationale context, zoals in Omega Spielhallen. Bovendien verdient ook het recente arrest Heemskerk en Schaap aandacht, omdat het Hof van Justitie er schijnbaar erg los omspringt met de grenzen aan de nationale procedurele autonomie teneinde een belangrijk beginsel uit het Nederlandse administratief recht te vrijwaren. Ten slotte wijst het proefschrift op de grenzen van het beginsel van wederzijdse erkenning bij het oplossen van dergelijke conflicten en op de impact van de rechtscheppende rol van het Hof van Justitie, de creatie van een Europese variant op federal common law. De afweging van conflicterende belangen op het niveau van de Unie wordt uitgewerkt aan de hand van een bespreking van de recente zaak Promusicae. Beide aspecten komen samen in de discussie van de status van het homohuwelijk in het EU recht. Ten eerste worden de beperkingen van het Hof van Justitie als rechtscheppende instanties blootgelegd in een analyse van het horizontale spanningsveld, namelijk de vraag hoe de EU zelf het begrip huwelijk invult en omgaat met partners van hetzelfde geslacht. Daarbij wordt de veeleer conservatieve opstelling van het Hof van Justitie, dat het huwelijk definieerde als een verbond tussen een man en een vrouw, gecontrasteerd met de onderliggende sociale ontwikkelingen en recente wetgevende stappen op het niveau van de Unie. Ten tweede wordt de beperking van het beginsel van wederzijdse erkenning heel acuut wanneer de vraag wordt onderzocht of Lidstaten in de context van het vrij verkeer nog op goede gronden kunnen weigeren om een homohuwelijk dat rechtsgeldig gesloten was in een andere Lidstaat te erkennen. Enerzijds wordt aangetoond dat recente wetgevende ontwikkelingen, zelfs indien ze rechtstreeks gericht zijn op het bestrijden van discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, homokoppels vaak niet verder zullen helpen, aangezien ze slechts toepasselijk zijn in de mate dat een Lidstaat voor zulke koppels in een gelijkaardige samenlevingsvorm, vb. een geregistreerd partnerschap, heeft voorzien. Anderzijds wordt de stelling verdedigd dat een correcte invulling van de openbare orde exceptie in de meeste gevallen uitsluit dat de Lidstaten zich op de openbare orde beroepen om echtegenoten van EU onderdanen die in een andere Lidstaat een geldig homohuwelijk hebben gesloten bepaalde voordelen voor echtgenoten of getrouwde koppels te ontzeggen. Uit de vier eerste delen van het proefschrift blijkt dus dat er een begrip ‘openbare orde’ bestaat op het niveau van de Unie dat weliswaar verwant is aan gelijkaardige nationale concepten, maar er toch los van staat (Deel I). De analyse in het tweede en derde deel wijst op de enorme rijkdom aan waarden die door het concept openbare orde zijn afgedekt (Deel III) en op de grote verscheidenheid in verschijningsvormen van het concept (Deel II). Die relatief grote reikwijdte van het openbare ordebegrip in dit proefschrift is uiteraard grotendeels terug te voeren op de erg ruime uitgangsdefinitie van de openbare orde van de Unie als het complex van normen die de kern vormen van een politieke entiteit (in dit geval de EU) en een reflectie bieden van de fundamentele en beschermingswaardige keuzes van die entiteit met betrekking tot de politieke, economische, sociale en culturele orde van die entiteit. Op het einde van het proefschrift blijkt het opportuun om te kijken of deze aanpak ook een meerwaarde biedt voor het beter begrijpen van het constitutionele bestel van de Unie, afgezien van het feit dat deze aanpak het in elk geval nodig maakte om onder meer aandacht te besteden aan een hele reeks constitutionele onderwerpen, zoals grondrechten, bevoegdheidsverdelende regels, vrij verkeer, burgerschap, democratie, federalisme en essentiële vormvoorschriften. De vraag die zich op het einde van het proefschrift opdringt is of de voorgestelde brede invulling vertaald kan worden in een coherent systeem dat de verschillende nuances die in de loop van de discussies aan bod zijn gekomen in acht nemen en tezelfdertijd ook ruimte laten voor enkele richtlijnen voor toekomstige ontwikkelingen. Aan het einde van deel IV wordt de stelling verdedigd dat als het op een coherente aanpak aankomt er minstens op een domein alvast reden is tot voorzichtig optimisme. Het blijkt immers dat, hoewel de openbare orde van de Unie inhoudelijk verschilt van de openbare orde van de lidstaten blijkt de constitutionele orde vrij goed in staat om potentiële spanningen tussen beide rechtsordes te kanaliseren en op die manier directe confrontaties tussen beide rechtsorden te vermijden. Dit is zo, ondanks het feit dat het potentieel voor dergelijke botsingen op het eerste zicht erg groot is. Er staan immers heel gevoelige kwesties aan de orde, en het aantal domeinen waarop in het proefschrift een rol voor de openbare orde van de Unie naar voor wordt geschoven is niet min. Indien het niettemin mogelijk is om een coherente samenhang uit te werken op dit niveau, dan kan het niet worden uitgesloten dat ook op een breder coherent model binnen de mogelijkheden ligt. In Deel V van het proefschrift wordt daarom dieper ingegaan op de constitutionele implicaties van een meer coherent openbare ordebegrip voor de EU, zoals voorgesteld in het proefschrift. D oplossing ligt in de ontwikkeling van een model dat op een gestructureerde wijze omgaat met de veelheid aan manieren waarop de openbare orde van de Unie in de praktijk aan de orde kan zijn en een plaats kan geven aan de veelheid aan waarden die in Deel III werden geïdentificeerd. Bovendien moet het model verenigbaar zijn met de complexiteit van de constitutionele orde van de Unie, die onafhankelijke instellingen, Lidstaten en natuurlijke personen en bedrijven omvat. Ten slotte, zoals elk effectief kritisch model, moet ook dit model niet enkel voldoende verband houden met de huidige realiteit van de jurisprudentie van het Hof van Justitie maar ook een aanzet kunnen geven voor bijsturingen de lege ferenda. Het model vertrekt daarom vanuit een définition générale de l’ordre public ontwikkeld door J.F. Romain, die echter bedoeld was voor de Belgische of Franse context. In het proefschrift wordt dit model daarom aangepast om beter overeen te stemmen met de bijzondere situatie van de EU als autonome, meerledige rechtsorde, waarbij niet alleen de aard van de normen en waarden in acht wordt genomen, maar ook de diverse rollen van Lidstaten, EU instellingen en private rechtsonderhorigen. De kern van het model is een differentiatie van de rol van de Lidstaten. Enerzijds zijn die ‘Meesters van het Verdrag’ zijn en in die hoedanigheid slechts gebonden zijn door een vrij beperkte ordre public fondamental die gebaseerd is op het jus cogens en de ‘European Public Order’, zoals die ontwikkeld was door het EHRM. Tezelfdertijd zijn de Lidstaten anderzijds ook de eerste rechtsonderhorigen van de Europese rechtsorde. In die hoedanigheid kunnen ze echter ook gebonden zijn door een veel ruimere ordre public essentiel die in het bijzonder ook domeinen als burgerschap, de fundamentele vrijheden, de douane-unie, de lex moneta van de euro en de staatssteunregels omvat. Daarnaast is er ook ruimte in het model voor een ruimere ordre public fondamental van de Unie die de Lidstaten bindt, en voor een aflopende schaal met semi-private belangen die vooral op particulieren gericht zijn als deel van een ruime EU ordre public essentiel. Het model biedt dus een alomvattende aanpak met betrekking tot het concept openbare orde in de Unie, waarbij dat concept enerzijds een belangrijke substantiële, juridische inhoud wordt gegeven, en niettemin toch een genuanceerde aanpak mogelijk is met betrekking tot de juridische gevolgen van het begrip, gelet op het normdoel van de regel – die de plaats verklaart van de regel in het model – en de context waarbinnen die moet worden afgedwongen. Het voorgestelde model blijkt vrij goed overeen te stemmen met de rechtsorde de lege lata. Niettemin biedt het model ook een basis voor een reeks bescheiden voorstellen voor bijsturingen de lege ferenda. In de eerste plaats is er ruimte voor een iets ruimer concept van openbare orde, dat in het bijzonder de grondrechten moet omvatten, voor het bepalen of de EU rechtscolleges ambtshalve een norm van EU recht moet opwerpen. Ten tweede vloeit uit het model een belangrijkere rol voor de nationale rechter voort die voortaan mee moet waken dat Lidstaten of private partijen niet aan hun verplichtingen onder de ordre public essentiel ontsnappen door systeemgebreken. Ten derde impliceert het model een veel genuanceerdere benadering van de impact van normen van dwingend recht voor particulieren. Ten slotte suggereert het model ook de noodzaak voor een grotere gevoeligheid van de EU rechtsorde voor nationale culturele diversiteit. De openbare orde van de Europese Unie wordt dus een instrument voor het verwezenlijken van het devies van de Unie: ‘In verscheidenheid verenigd’.
Publication status: published
KU Leuven publication type: TH
Appears in Collections:Institute for European Law
Research Unit International and Foreign Law - miscellaneous

Files in This Item:
File Status SizeFormat
TimCorthaut.pdf Published 4343KbAdobe PDFView/Open

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.