ITEM METADATA RECORD
Title: Springen over de kloof : Een nota over het recht op participatie in het onderwijs
Authors: Labath, Thomas
Suijs, Stijn
Verlot, Marc
Issue Date: 2002
Publisher: Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Algemeen Welzijnsbeleid
Abstract: Onderwijs wordt algemeen beschouwd als een belangrijke hefboom in de strijd tegen armoede. Alle beleids- en schoolinitiatieven ten spijt blijkt evenwel dat het onderwijs nog steeds sociale achterstelling reproduceert en zelfs genereert. In 1976 verscheen van de hand van Luc Huyse en Lieven Vandekerckhove In de buitenbaan. Kort samengevat komt hun stelling er op neer dat in tegenstelling tot atletiekwedstrijden kinderen en jongeren uit (kans)arme milieus geen compensatie krijgen voor hun benadeelde positie. Met andere woorden: in het onderwijs vertrekt iedereen op dezelfde plaats en moet iedereen hetzelfde traject in dezelfde tijd afleggen, zonder compensatie voor het verschil in afstand. Nog steeds verschijnen studies die aantonen dat leerlingen uit lagere sociale milieus systematisch achterstand dreigen op te lopen (Vanneste, 2002). Die kritiek is hard en wordt onderzoekers niet steeds in dank afgenomen (zie bijvoorbeeld Feys en Van Biervliet in het meest recente nummer van de Onderwijskrant maart 2002: 6)

Vanuit de vaststelling dat het boek van Huyse en Vandekerckhove nog altijd brandend actueel is willen we stilstaan bij dit fenomeen. De focus ligt niet zozeer op sociale achterstelling in zijn totaliteit maar op een deelaspect, namelijk op de – beperkte – participatie van arme ouders en jongeren aan het onderwijs. “Arme ouders zijn te weinig betrokken op het onderwijs van hun kinderen”, hoor je nog steeds in onderwijsmiddens. “De school houdt te weinig rekening met ons”, verklaren woordvoerders van arme ouders. Jongeren op hun beurt leggen geen verklaringen af (met jongeren bedoelen we in deze nota leerlingen in het secundair onderwijs). Ze ontwikkelen allerlei mechanismen om de situatie naar hun hand te zetten. Ook dat kan een vorm van participatie zijn, maar wordt zelden door leerkrachten als dusdanig herkend.
Duidelijk is dat onderwijs- en beleidsactoren, arme ouders en jongeren uit arme gezinnen verschillende posities innemen ten aanzien van het thema ‘participatie aan onderwijs’. In de eerste twee hoofdstukjes van deze nota presenteren we een inventaris van deze verschillende standpunten, eerst m.b.t. participatie van ouders in het basisonderwijs, daarna m.b.t. participatie van jongeren uit arme gezinnen in het secundair onderwijs.

Enigszins veralgemenend kunnen we stellen dat de discussie over participatie aan het onderwijs door arme ouders en jongeren uit arme gezinnen sterk gekleurd wordt door een ‘kloofdenken’. Behalve de helaas zonder meer aanwezige materiële en financiële drempels heet de participatie van arme gezinnen aan het onderwijs vooral belemmerd te worden door ‘cultuurdrempels’. De school die haar mogelijkheden tot participatie organiseert op een manier die niet aansluit bij ‘de’ cultuur van de armen; ouders die een andere ‘taal’ hanteren dan de scholen, … Twee homogene blokken worden tegenover elkaar geplaatst: de ‘cultuur van de armen’ en ‘de schoolcultuur’ en het lijkt wel alsof die blokken onvermijdelijk in oppositie tegenover elkaar komen te staan. In het derde hoofdstukje nuanceren we deze visie. Wie de bekommernissen van arme ouders en scholen met elkaar vergelijkt, ziet de zogenaamd homogene blokken over elkaar schuiven. Wie steeds weer de hypothese van de cultuurkloof in de verf zet, dreigt de kloof eerder te vergroten dan te overbruggen. Een uitweg uit dit kloofdenken toont zich in een ‘competentiemodel’. Daarin ligt de nadruk op gemeenschappelijkheden en de ‘natuurlijke’ competentie van elke actor. Scholen moeten in die optiek competentiegericht leren kijken naar wat er zich in hun omgeving allemaal afspeelt met de bedoeling gebruik te maken van de vaardigheden die aanwezig zijn om daar vervolgens een meerwaarde aan te geven. De nadruk ligt dan niet langer op het verschil, op wat mensen scheidt, maar eerder op wat (alle) ouders, (alle) jongeren en (alle) leerkrachten kunnen inbrengen en op de gemeenschappelijke belangen.

In het vierde hoofdstukje suggereren we enkele sprongen vooruit in de hele discussie op basis van dit competentiemodel. Zonder afbreuk de doen aan alle voorstellen die de laatste jaren reeds naar voor werden geschoven (bijvoorbeeld Nicaise, 2001, het Algemeen Verslag van de Armoede en alle publicaties van armenverenigingen over participatie aan onderwijs die daarop volgden) concentreren we ons op het microperspectief. Uiteindelijk wordt participatie van ouders en jongeren lokaal gerealiseerd, in de dagelijkse omgang tussen ouders en leerkrachten/directieleden, jongeren en leerkrachten/directieleden, in zeer specifieke situaties die van school tot school kunnen verschillen.
Publication status: published
KU Leuven publication type: ER
Appears in Collections:Centre for Research on Lifelong Learning and Participation (-)

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
2-part_onderwbat.pdf Submitted 225KbAdobe PDFView/Open

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.