ITEM METADATA RECORD
Title: Congenitale cysten en fistels van het hoofd-halsgebied
Authors: Vander Poorten, Vincent #
Issue Date: 2006
Host Document: Cursusboek van de Speerpuntencursus
Conference: Speerpunten edition:15 date:3-4 October 2006
Abstract: Een belangrijk gedeelte van de zwellingen in het hoofd- halsgebied bij kinderen zijn van infectieuze aard, veroorzaakt door allerlei microbiële oorzaken (Epstein-Barr virus, Cytomegalovirus, Adenovirus, Toxoplasma gondii, Bartonella henselae, bacteriële bovenste luchtweginfecties gepaard met adenopathieën,…). Meestal verdwijnt dergelijke zwelling spontaan of na adequate antimicrobiële behandeling. Een heelkundige behandeling dringt zich enkel op als er ondanks adequate conservatieve behandeling acute symptomatologie tengevolge van abscedatie optreedt - al dan niet niet met gevaar voor compressie van de aerodigestieve tractus- , wanneer de palpabele zwelling na enkele weken niet regresseert of recidiveert, of wanneer chronische fistulisatie resulteert (1).
Meer dan de helft van de heelkundige indicaties bij kinderen is te wijten aan congenitale cysten en fistels van het hoofd-halsgebied(2). Alle congenitale fistels zijn aanwezig en zichtbaar (voor het geoefend oog) bij de geboorte. Congenitale cysten zijn ook vaak reeds te zien bij de geboorte, maar een belangrijk deel van de congenitale cysten wordt maar zichtbaar door opzetting secundair aan een infectie. In wat volgt zal een antwoord geformuleerd worden op de vragen: “wat verstaan we onder deze afwijkingen, waarom en wanneer moeten we ze behandelen, en hoe worden ze best heelkundig technisch behandeld.
Wat verstaan we onder deze afwijkingen? Een zinvolle manier om de congenitale cysten en fistels van hoofd en hals weer te geven is ze in te delen naar de lokatie in het hoofd-halsgebied (Tabel 1)
« Waarom moeten we ze heelkundig behandelen ? » is een vraag die zich vaak stelt bij het vaststellen van een asymptomatische fistel of cyste bij een pasgeborene. Er zijn grosso modo 2 grote redenen om deze afwijkingen te behandelen.
De eerste en belangrijkste reden is het risico van infectie, die eens opgetreden, zeer gemakkelijk recidiveert. De lokalisatie in het hoofd-halsgebied maakt dat deze infecties een snelle en directe weerslag of de bovenste luchtweg kunnen hebben en dus gevaarlijk zijn. Vooral voor lymfatische malformaties, in de tong of in de vallecula gelegen epidermoidcysten, thyreoglossuscysten en branchiogene afwijkingen (thymofaryngeale ductus remnant) is dit lokale gevaar reëel. Daarnaast is er natuurlijk gevaar voor veralgemeende infectie met sepsis, een evolutie die bij zeer jonge kinderen vaak sneller optreedt.
Zelfs als dergelijke infectie medicamenteus onder controle komt, is het zo dat elke infectieuze opstoot gepaard gaat met vergroeiing in de omgeving, waar in een klein operatief veld verschillende belangrijke vasculaire en nerveuze structuren liggen. Verder is steeds ruptuur van een cyste mogelijk, met kans op achterblijven van epitheelresten bij een daaropvolgende eventuele resectie, die op hun beurt voor recidief kunnen zorgen. De risico’s bij heelkunde nemen dus toe, en de kans op incomplete resectie ook. Zoals bij tumorchirurgie staat onvolledige resectie garant voor een recidief. En evenals bij tumorchirurgie betekent recidiefchirurgie eens te meer verhoging van kans op complicaties en verlaging van de definitieve succeskansen van de heringreep.
De tweede belangrijke reden is het veroorzaken van groeistoornissen, vooral van in de buurt gelegen botstructuren (bijvoorbeeld de mandibula bij lymfatische malformatie van tong en mondvloer, de ossa nasalia bij nasaal dermoid, de mandibula bij cervical midline cleft), die (deels) voorkomen kunnen worden door vroeg in te grijpen.
Wanneer moeten we dan overgaan tot heelkunde? Een algemeen aanvaarde doch nergens duidelijk neergeschreven houding bij onverwikkelde laesies die zich congenitaal presenteren, is te opereren rond de leeftijd van 1 jaar. De ingreep kan vroeger noodzakelijk zijn bij vroegere recidiverende infecties, en kan desgewenst uitgesteld worden bij laagrisicoafwijkingen (zoals een preauriculaire pit). Laesies die zich later in het leven presenteren doen dit meestal n.a.v. een infectieuze opstoot, en kunnen dan best na afkoeling gereseceerd worden. De algemene regel is dat een resectie best niet in het acute moment, maar na medicamenteuze afkoeling, eventueel in combinatie met een beperkte evacuerende punctie, gebeurt(3).
Hoe de heelkundige resectie technisch moet gebeuren, is zeer sterk afhankelijk van de lokale anatomie en dus van het type letsel. In wat volgt zullen we, de indeling in Tabel 1 volgend, systematisch de belangrijkste afwijkingen en hun heelkundige aanpak bespreken. Afhankelijk van de lokale anatomie kan beeldvorming nuttig of nodig zijn; bloedanalyses zijn, behalve bij infectieuze verwikkelingen in het acute moment, meestal overbodig.
Publication status: published
KU Leuven publication type: IC
Appears in Collections:Research Group Experimental Oto-rhino-laryngology
Head and Neck Oncology (+)
# (joint) last author

Files in This Item:
File Description Status SizeFormat
Congenitale cysten en fistels in het hoofd.doc Published 391KbMicrosoft WordView/Open

 


All items in Lirias are protected by copyright, with all rights reserved.